Belasting Collectief Nederland

Dutch Chinese (Simplified) English French German Spanish
zondag, 08 juli 2012 15:19

Box 3: inkomen uit sparen en beleggen

Geschreven door 

In box 3 valt, zoals vermeld, het inkomen uit sparen en beleggen. Hierop wordt een zogenoemde vermogensrendementsheffing losgelaten. Hierbij kijkt de fiscus niet naar de werkelijke beleggingsinkomsten – rente, dividend, koerswinsten en -verliezen, maar ook huur, waardestijgingen en -dalingen – maar veronderstelt hij dat een fictief rendement van 4% op het vermogen is genoten. Schulden, waaronder ook consumptieve leningen, komen eerst nog op dat vermogen in mindering; wel geldt daarvoor een niet-aftrekbare drempel van € 2.900 per persoon (Art. 5.3, derde lid, onderdeel e, Wet IB 2001). Belastingschulden, met uitzondering van (binnen- en buitenlandse) successierechtschulden mogen helemaal niet worden afgetrokken.

Genoemd rendement werd berekend over het gemiddelde van het vermogen op 1 januari en 31 december van een jaar.Vanaf 2011 wordt er alleen nog maar gekeken naar de waarde van het vermogen zoals dat is op 1 januari van dat jaar. Wanneer de belastingplicht niet het hele jaar duurt, wordt het percentage van 4 naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden niet meetellen (Zie paragraaf Binnenlandse belastingplicht gedurende deel van jaar). Bovendien wordt die 4% niet over het hele vermogen berekend. Er geldt namelijk nog een vrijstelling van € 21.139 per persoon; fiscale partners hebben daardoor samen een vrijstelling van € 42.278 (Art. 5.2, tweede lid, Wet IB 2001). Ouder(s) met minderjarige kind(eren) waarover zij het gezag uitoefenen mochten in 2011 het heffingvrije bedrag verhogen met € 2.779 per kind (Art. 5.5, tweede lid, Wet IB 2001, tekst 2011). Met ingang van 1 januari 2012 is deze toeslag vervallen. Een verhoging van het heffingsvrije bedrag is daardoor niet langer mogelijk. Voor 65-plussers is het nog wel mogelijk om een extra vrijstelling te krijgen; de zogenoemde ouderentoeslag ex art. 5.6 Wet IB 2001. Deze vrijstelling daalt naar mate het inkomen uit werk en woning vóór de persoonsgebonden aftrek stijgt. Het niet-vrijgestelde deel van het vermogen wordt tot slot belast tegen een vast tarief van 30% (Art. 2.13 Wet IB 2001). Per saldo komt dit neer op een heffing van 1,2% over het belaste vermogen.

Voorbeeld 2

Iemand heeft een vermogen van € 15.000. Dit heeft hij op een spaarrekening staan die 3% rente per jaar oplevert; die rente wordt op 31 december bijgeschreven. Na een jaar is dit vermogen dan aangegroeid tot € 15.450. Het vermogen vóór het heffingvrij vermogen bedraagt € 15.000. Daarover wordt een fictief rendement berekend van € 600, oftewel 4% x € 15.000. Uiteindelijk betaalt de belastingplichtige dan 30% aan inkomstenbelasting, oftewel € 180. Uitgedrukt in een percentage van het werkelijke inkomen van € 450 komt dit neer op een belastingdruk van afgerond 40%, oftewel € 180/€ 450.
 
Voorbeeld 3
In dit voorbeeld gaan we weer uit van een vermogen van € 15.000, maar nu maakt de belastingplichtige een rendement van 10%. Aan het einde van het jaar bedraagt zijn vermogen dan € 16.500. Het vermogen vóór het heffingvrij vermogen over het jaar bedraagt dan dus € 15.000. Daarover wordt een fictief rendement van 4% berekend, waarover hij 30% belasting moet betalen. Dat is € 180. Uitgedrukt in een percentage van het werkelijke inkomen van € 1.500 bedraagt de belasting slechts 12%, oftewel € 180/€ 1500 x 100%.

 De voorbeelden laten zien dat het effectieve belastingpercentage daalt naarmate het werkelijke rendement hoger is. Dat komt uiteraard omdat nooit meer dan 4% wordt belast. Maar ook nooit minder! En dat betekent dat iemand die in werkelijkheid een lager rendement dan 4% haalt, helemaal niet zo voordelig uit is. Bij 2% rendement is de belastingdruk al dik 60%. Laat staan wat er gebeurt als in werkelijkheid een negatief rendement wordt behaald, bijvoorbeeld door koersdalingen op aandelenbeleggingen. Dan wordt dus een niet-aftrekbaar verlies geleden, terwijl toch een vermogensrendementsheffing wordt opgelegd. De enige, toch wat schrale troost is dan dat het gemiddelde vermogen lager uitvalt, zodat de aanslag over een lager bedrag wordt opgelegd. Dit gaat echter niet meer op vanaf 2011. Vanaf 2011 is er nog maar sprake van één peildatum (te weten 1 januari) en is geen sprake meer van een gemiddeld vermogen.

Laatst aangepast op woensdag, 12 september 2012 09:39
Redactie Belasting Collectief Nederland

De leden van Belasting Collectief Nederland specialiseren zich voornamelijk in belastingadvies aan bedrijven. Dankzij onze bijzondere werkwijze kunnen zij zeer hoogwaardige dienstverlening aanbieden tegen zeer concurrerende tarieven. Dit betekent voor u aanzienlijke kostenbesparingen.

Meer in deze categorie: « Schijventarief
Log in om reacties te plaatsen

Tweets

Login