Belasting Collectief Nederland

Dutch Chinese (Simplified) English French German Spanish
woensdag, 11 juli 2012 12:25

Jaarruimte

Geschreven door 

De wet heeft als uitgangspunt dat iedereen op 65-jarige leeftijd een oudedagsvoorziening ter grootte van 70% van het laatstgenoten inkomen moet kunnen halen. Vaak heeft men bij de werkgever een pensioenregeling. Als dat een eindloonregeling is – dat wil zeggen een regeling waarbij het pensioen is gebaseerd op het laatstverdiende loon – wordt, hoewel 2% mogelijk zou zijn, in het algemeen 1,75% pensioen per dienstjaar opgebouwd. Op die manier bouwt men dus in 40 jaar 70% op. Normaal gesproken moet dat genoeg zijn om de levensstandaard van vóór de pensionering te kunnen voortzetten. Want bruto mag er dan wel 30% verschil zijn, netto is het verschil veel kleiner; soms gaat men er zelfs op vooruit. Dat komt omdat na pensionering bepaalde sociale verzekeringspremies niet meer hoeven te worden betaald. Het gaat dan bijvoorbeeld om de premie AOW.

Wie, om wat voor reden dan ook, die 70% niet kan halen – met andere woorden, men heeft een pensioentekort – kan gebruikmaken van de jaarruimteaftrek voor lijfrentepremies ter aanvulling op het pensioen (Art. 3.127, eerste lid, Wet IB 2001). Het is zaak zo'n pensioentekort tijdig te signaleren: wie met het nemen van maatregelen zou wachten tot vlak vóór pensionering, moet in 1 keer enorme bedragen ophoesten. Bovendien komt men dan ook nog eens in fiscaal opzicht van een koude kermis thuis. Dat komt doordat de jaarruimteaftrek niet de mogelijkheid biedt om een bestaand pensioentekort in één keer op te vangen. Men kan alleen voor het lopende jaar de groei van het eventuele pensioentekort voorkomen. Bovendien geldt voor de jaarruimteaftrek een maximumbedrag. Dat maximum wordt volgens onderstaande formule bepaald:

17% x (I – € 11.631) – S – F – 7,5A

waarbij:
I = inkomen in box 1
S = spaarloon gedeblokkeerd voor vrijwillige pensioenpremie
F = opbouw FOR (toename FOR minus verplichte afneming FOR (alleen voor ondernemers))
A = aangroei van de pensioenaanspraken

Hierna gaan we stap voor stap de onderdelen van de formule langs. We beginnen met het inkomen in box 1. Dat kan bestaan uit:
• winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming FOR en vóór ondernemersaftrek;
• belastbaar loon;
• belastbare resultaat uit overige werkzaamheden;
• belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen.
Het inkomen wordt vervolgens verminderd met de zogenoemde AOW-franchise van € 11.631. Dat heeft te maken met het feit dat te zijner tijd ook AOW wordt ontvangen; over dat deel hoeft geen pensioen te worden opgebouwd, zo wordt geredeneerd. Na vermindering met dit AOW-bedrag resteert de premiegrondslag. En daarvan wordt dan 17% genomen voor het bepalen van de jaarruimte.

Voorbeeld 25

Stel, een werknemer heeft een inkomen uit arbeid van € 25.000. De premiegrondslag bedraagt dan € 25.000 minus € 11.631, oftewel € 13.369. Maximaal 17% daarvan is binnen de jaarruimte aftrekbaar als lijfrentepremie. De maximale aftrekruimte is voor deze werknemer dus € 2.273 (afgerond).
 
Ook die premiegrondslag is aan een maximum gebonden, te weten € 159.741; de jaarruimte kan dus nooit meer dan € 27.156 (17% x € 159.741) bedragen. Slechts weinig mensen zullen aan zo'n aftrek toekomen. Maar ook de doorsnee belastingplichtige zal het voor hem geldende theoretisch maximum van de jaarruimte zelden volledig kunnen benutten. De formule van de jaarruimte bevat immers ook nog enkele verminderingen. Voor ondernemers is dat de aangroei van de oudedagsreserve. En voor werknemers is dat de aangroei van de pensioenaanspraken. Die waarde is nogal moeilijk vast te stellen en daarom is daar een regeltje voor bedacht: de aangroei wordt gesteld op 7,5 keer de toename van de pensioenaanspraken in het voorafgaande kalenderjaar. De toename van de pensioenaanspraken blijkt uit een opgave van de pensioenverzekeraar. Zonder die gegevens valt niet te berekenen wat de jaarruimte is. Voor het belastingjaar 2010 betekent dit dus dat het inkomen en de pensioenaangroei van 2009 de aftrekruimte bepalen.

Hoe vreemd het ook mag klinken, toch loont het in de meeste gevallen ook bij werknemers met een goede pensioenregeling de moeite om te kijken of er nog wat jaarruimte overblijft. Naarmate het loon lager is, neemt de jaarruimte navenant af en in het omgekeerde geval neemt ze navenant toe. Is de pensioenregeling aan de magere kant, zijn er inkomsten waarover helemaal geen pensioen is opgebouwd of heeft men neveninkomsten, dan komt de jaarruimte natuurlijk volop in beeld.

Tip

Wie een auto van de zaak heeft, kan vrijwel zeker rekenen op een stukje jaarruimte. De werkgever houdt bij de toekenning van de pensioenaanspraken namelijk geen rekening met die auto. Terwijl die auto wel tot een bijtelling in de loon- en inkomstenbelasting leidt, waardoor de jaarruimte groter wordt; men mag dan immers 17% van een hoger inkomen nemen.
 
Het aanwenden van spaarbedragen van een werknemersspaarregeling voor een vrijwillige premiebijdrage in de pensioenregeling van de werkgever leidt eveneens tot een verhoging (aangroei) van de toekomstige pensioenuitkeringen. Toch telt die aangroei niet mee voor het bepalen van de jaarruimte.

Laatst aangepast op vrijdag, 14 september 2012 13:18
Redactie Belasting Collectief Nederland

De leden van Belasting Collectief Nederland specialiseren zich voornamelijk in belastingadvies aan bedrijven. Dankzij onze bijzondere werkwijze kunnen zij zeer hoogwaardige dienstverlening aanbieden tegen zeer concurrerende tarieven. Dit betekent voor u aanzienlijke kostenbesparingen.

Log in om reacties te plaatsen

Tweets

Login