Belasting Collectief Nederland

Dutch Chinese (Simplified) English French German Spanish
woensdag, 11 juli 2012 13:53

Bezittingen

Geschreven door 
De wet geeft een precieze opsomming van bezittingen die in box 3 vallen (Art. 5.3, tweede lid, Wet IB 2001). Het maakt daarbij niet uit of die bezittingen zich in Nederland of in het buitenland bevinden. Het gaat om (tussen haakjes enkele voorbeelden):
• onroerende zaken (tweede huis, grond);
• rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben (vruchtgebruik, bloot eigendom, koopoptie);
• roerende zaken die niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt (een goudstaaf die als belegging in een bankkluis wordt bewaard);
• roerende zaken die wél voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt maar die hoofdzakelijk als belegging dienen (een schilderij dat weliswaar in huis hangt, maar eigenlijk alleen als belegging is bedoeld);
• rechten op roerende zaken (het recht om een schilderij te kopen tegen een bepaalde prijs);
• rechten die niet op zaken betrekking hebben (spaarsaldi, aandelen, obligaties, vorderingen en levensverzekeringen, de laatste voor zover ze niet in box 1 vallen);
• overige vermogensrechten met waarde in het economische verkeer.
Het maakt niet uit of de bezittingen in eigen gebruik zijn of worden verhuurd aan een derde. Panden die worden verhuurd aan een particulier – een student of wie dan ook – of aan een bedrijf, vallen in box 3. Kamerverhuur in de eigen woning als hoofdverblijf valt onder voorwaarden echter in box 1 (Art. 3.114 Wet IB 2001). Wel geldt er een speciale regeling voor de verhuur van vermogensbestanddelen aan familieleden, die deze vervolgens voor hun onderneming gebruiken (Art. 3.91 Wet IB 2001). Dit speelt ook bij verhuur aan een eigen BV of aan een BV van een familielid (Art. 3.92 Wet IB 2001). De terbeschikkingstelling van onroerende zaken wordt in het afzonderlijke onderwerp Terbeschikkingstelling onroerende zaken behandeld.

Ook rechten van pacht en vruchtgebruik vallen in box 3. Alleen bij vruchtgebruik geldt een uitzondering; krijgt iemand het vruchtgebruik van de woning na het overlijden van zijn partner, dan valt hij als vruchtgebruiker onder de eigenwoningregeling in box 1. Hetzelfde geldt voor een (levenslang) recht van gebruik en bewoning. De uitzondering vervalt echter als men de woning verhuurt.

Was een woning aan het begin van het jaar een eigen woning, maar aan het eind van het jaar niet meer, dan werd die woning op 31 december meegeteld voor de rendementsgrondslag in box 3. Sinds 1 januari 2011 is er echter nog maar één peildatum, dus de woning word pas op 1 januari van het volgende kalenderjaar meegeteld voor de rendementsgrondslag in box 3.

Voorbeeld 43

Iemand heeft een eigen woning met een WOZ-waarde van € 100.000. Op 1 augustus verhuist hij naar een nieuwe woning, waarbij hij de oude aanhoudt voor zijn studerende kinderen. Voor de oude woning geldt tot en met 31 juli de eigenwoningregeling; vanaf 1 augustus valt hij in box 3. Ook in box 3 wordt voor woningen in principe uitgegaan van de WOZ-waarde. Op 1 januari telde de woning niet mee, op 31 december ook niet.In dit jaar behoort de woning dus niet tot de rendementsgrondslag in box 3. Pas op 1 januari van het volgende kalenderjaar zal de woning mee worden genomen als bezitting in box 3.
Voor box 1 maakt het uit op welk moment in het jaar de woning tot box 3 gaat behoren: eigenwoningforfait en hypotheekrenteaftrek worden uitsluitend toegerekend aan de periode waarin de woning nog in die box zat.
 
Voorbeelden van rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben, zijn een recht van erfpacht, een recht van opstal, een recht van beklemming, appartementsrechten en de al eerder genoemde rechten van vruchtgebruik en gebruik.
Bij roerende zaken valt te denken aan metalen – aluminium, koper, lood, nikkel, tin, zink – alsmede aan edelmetalen – goud, platina en zilver – en aan aardolie en aardolieproducten, maar ook aan eventuele rechten daarop, zoals termijn- of optiecontracten voor bijvoorbeeld (edel)metalen, land- en tuinbouwproducten of aardolie. Zijn de voorwerpen voor persoonlijk gebruik bestemd, dan tellen ze niet mee; dat geldt bijvoorbeeld voor sieraden en dergelijke.
Ook roerende zaken die weliswaar mede voor persoonlijk gebruik zijn bestemd, maar die toch hoofdzakelijk een beleggingskarakter hebben, vallen in box 3 (Zie paragraaf Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap).
Tot de rechten die niet op zaken betrekking hebben, behoren aandelen, obligaties, opties, lidmaatschapsrechten van bijvoorbeeld een beleggingsfonds, vorderingen – waaronder de saldi op spaar- en betaalrekeningen – en gewone kapitaalverzekeringen. Ook inkomsten uit vergunningen vallen in box 3, maar niet de inkomsten uit auteursrechten; inkomsten uit royalty's en patenten worden namelijk in box 1 belast, als resultaat uit overige werkzaamheden. In HR 26 november 2010, nr. 10/00265, LJN: BO5026 is de Hoge Raad met het hof van oordeel dat een vordering op een malafide beleggingsmakelaar niet op de nominale waarde, maar op een lagere waarde mag worden gewaardeerd.
Ook genotsrechten – vruchtgebruik en dergelijke – behoren tot de bezittingen. Dat geldt niet voor een genotsrecht waar periodiek voor moet worden betaald; hierbij kan men denken aan een recht van vruchtgebruik op een verhuurd pand, waarbij de blote eigenaar jaarlijks een vergoeding betaalt en de verhuurder zelf jaarlijks huur ontvangt.

Uit jurisprudentie van het hof volgt dat een levenslang recht van gebruik en bewoning dat niet op grond van het erfrecht is ontstaan, een genotsrecht vormt en niet vergelijkbaar is met een huurrecht (Hof 's-Hertogenbosch 23 november 2006, nr. 04/00743, LJN: AZ8735, V-N 2007/27.1.2). Voor de waardering van genotsrechten gelden bijzondere waarderingsregels (Art. 5.22 Wet IB 2001 nader geregeld in art. 18 en 19 Uitv.besl. IB 2001). De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ex art. 81 RO ongegrond (HR 11 juli 2008, nr. 43 773, onbekend LJN).

Bij de vorderingen geldt een uitzondering voor belastingen (inclusief heffings-, invorderings- en revisierente) die voortvloeien uit de AWR zelf, uit een wet waarop de AWR van toepassing is of uit de Inv.wet 1990 (Art. 5.3, tweede lid, onderdeel f, Wet IB 2001). Belastingvorderingen die niet meetellen worden geheven door:
a. rijksoverheid;
b. lagere overheden, zoals provincies en gemeenten;
c. waterschappen.

Uit de wettekst kan niet worden opgemaakt of een recht op teruggave van premies volksverzekeringen tot de vorderingen behoort. Daarentegen is tijdens de parlementaire behandeling gesteld dat premies volksverzekeringen niet tot de vorderingen worden gerekend (Tweede NvW, Kamerstukken II 1999-2000, 26 727, nr. 19, blz. 24-25). Buitenlandse belastingvorderingen zijn vorderingen die wel tot box 3 behoren, omdat daarop de AWR niet van toepassing is.

Vanaf 1 januari 2010 behoren erfbelastingvorderingen wel tot de bezittingen in box 3. Op grond van overgangsrecht moeten op 1 januari 2010 nog openstaande successierechtvorderingen worden toegerekend aan het inkomen uit sparen en beleggen in box 3.

Verenigingen van Eigenaren (VVE) beschikken over onderhoudsreserves en andere fondsen die worden aangehouden ter financiering van toekomstige uitgaven voor onderhoud en vernieuwing. Het gaat daarbij om reserveringen die gebruikelijk zijn bij wooncomplexen met koopappartementen en die op basis van periodieke betalingen door de eigenaren worden bijeengebracht. Volgens de staatssecretaris van Financiën moeten appartementseigenaren hun aandeel in de VVE-reserveringsfondsen tot de rendementsgrondslag van box 3 rekenen (Het besluit van 13 november 2006, nr. CPP2006/412M, Stcrt. 2006, 228, V-N 2006/60.10 is op 4 november 2009 vervangen door het besluit van 29 oktober 2009, nr. CPP2009/2148M, Stcrt. 2009, 16632 dat is vervangen door het besluit van 10 juni 2010, nr. DGB2010/921 , Stcrt. 2010, 8462 en Rechtbank Haarlem 14 september 2007, nr. AWB 06/5425, LJN: BB3783, V-N 2008/6.2.4). Dit geldt voor zowel een eigen woning als een appartement dat in box 3 valt. In een hofuitspraak is het standpunt van de staatssecretaris bevestigd (Hof Amsterdam 8 december 2008, nr. 07/00831, LJN: BG8927).
De vraag of het lidmaatschap van de VVE betreffende een appartementsrecht een zelfstandig recht (in box 3) is of een deel van een appartementsrecht (in box 1) is, is inmiddels voorgelegd aan de Hoge Raad. Vooruitlopend op deze uitspraak heeft A-G Niessen geconcludeerd dat civielrechtelijk het lidmaatschap van de VVE van rechtswege opkomt aan de gerechtigde van het appartementsrecht en dat dat recht niet afzonderlijk kan worden vervreemd. In materieel opzicht komt aan het lidmaatschap geen zelfstandige betekenis toe, zodat het als deel van de eigen woning in box 1 moet worden aangemerkt. Daar staat tegenover dat het lidmaatschap in civielrechtelijke zin een afzonderlijk vermogenrecht is dat behoort tot de bezittingen van box 3. Nu het lidmaatschap aan zowel box 1 als box 3 kan worden toegerekend, wijst de rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 het lidmaatschap toe aan box 1. Op 13 augustus 2010 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan en heeft het advies van de A-G niet gevolgd!. De Hoge Raad besliste dat het aandeel in het vermogen van de VVE een aparte bezitting in box 3 is. De Hoge Raad kwalificeert het lidmaatschapsrecht als een 'overig vermogensrecht' dat moet worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (HR 13 augustus 2010, nr. 09/00181, LJN: BL7268, V-N 2010/37.17 na conclusie van A-G Niessen 4 februari 2010, nr. CPG 09/00181, V-N 2010/16.15).

In een uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat het hof juist heeft geoordeeld dat een conservatoir beslag op een banktegoed geen waardeverminderende factor is (HR 14 november 2008, nr. 42 096, LJN: BG4235, V-N 2008/55.15).

Uit jurisprudentie van de rechtbank blijkt dat – in lijn met HR 5 september 2003, nr. 37 948, LJN: AI5685, BNB 2003/351  bij de waardering van een vordering op peildatum al rekening mag worden gehouden met een waardedaling die na de peildatum is opgetreden (Rechtbank Arnhem 22 januari 2009, nr. AWB 08/2388, LJN: BH1423, V-N 2009/17.15).

Naar aanleiding van het faillissement van de DSB Bank NV op 19 oktober 2009 heeft de minister van Financiën goedgekeurd dat de waarde in het economische verkeer per 31 december 2009 van de volgende bezittingen in box 3 op nihil kan worden gesteld (Het besluit van 10 maart 2010, nr. DGB2010/1466M, Stcrt. 2010, 3933 is op 29 december 2010 vervangen door het besluit van 19 december 2010, nr. DGB2010/4308M, Stcrt. 2010.):
• een bij de DSB Bank aangehouden achtergesteld deposito;
• een bij de DSB Bank aangehouden (spaar)banktegoed van boven de € 100.000, verminderd met het bedrag dat op grond van het depositogarantiestelsel is of zal worden uitgekeerd.

Op 31 december 2004 heeft belanghebbende de hoofdprijs van de oudejaarsloterij van € 20 miljoen gewonnen. Dit bedrag werd op 4 januari 2005 op zijn bankrekening bijgeschreven. In geschil is of de prijs tot de vermogensrendementsgrondslag van 31 december 2004 moet worden gerekend. Het hof is met de inspecteur van oordeel dat de prijs op de peildatum 31 december 2004 een belastbare bezitting vormt, omdat de bekendmaking van de uitslag enkele minuten voor 24.00 uur op 31 december 2004 heeft plaatsgevonden. De waarde van de prijs wordt gesteld op € 20 miljoen, omdat niet is gebleken van enig risico van tenietgaan van het lot. Dat belanghebbende de hoofdprijs in 2004 niet rendabel heeft kunnen kamen is niet van belang (Hof 's-Hertogenbosch 15 juli 2010, nr. 08/00596, LJN: BO3295). Dit is echter per 1 januari 2011 niet langer van belang, doordat dan nog maar sprake is van één peildatum, namelijk 1 januari van dat kalenderjaar.

Laatst aangepast op donderdag, 13 september 2012 12:46
Redactie Belasting Collectief Nederland

De leden van Belasting Collectief Nederland specialiseren zich voornamelijk in belastingadvies aan bedrijven. Dankzij onze bijzondere werkwijze kunnen zij zeer hoogwaardige dienstverlening aanbieden tegen zeer concurrerende tarieven. Dit betekent voor u aanzienlijke kostenbesparingen.

Meer in deze categorie: « Vermogen in box 3
Log in om reacties te plaatsen

Tweets

Login