Belasting Collectief Nederland

Dutch Chinese (Simplified) English French German Spanish
woensdag, 11 juli 2012 09:32

Toerekening van diverse inkomens- en vermogensbestanddelen bij partners, deel II

Geschreven door 

Strikt genomen moet onder de Wet IB 2001 ieder voor zich bepalen wat zijn inkomen in elk van de boxen is. Maar voor gehuwden, geregistreerde partners en samenwonenden die voor het fiscale partnerschap hebben gekozen en die bovendien het hele jaar hebben samengewoond, gaat dat niet helemaal op. Er zijn namelijk bepaalde inkomsten en aftrekposten – aangeduid met de verzamelnaam gemeenschappelijk inkomen – die fiscale partners onderling kunnen verdelen (Art. 2.17, vijfde lid, Wet IB 2001). Het gaat om:
a. belastbare inkomsten uit eigen woning;
b. inkomen uit aanmerkelijk belang;
c. uitgaven voor onderhoudsverplichtingen;
d.. uitgaven voor levensonderhoud van kinderen;
e. uitgaven voor specifieke zorgkosten;
f. weekenduitgaven voor gehandicapten;
g. scholingsuitgaven;
h. uitgaven voor monumentenpanden;
i. aftrekbare giften.
De onderdelen c tot en met i van het gemeenschappelijk inkomen vormen samen de persoonsgebonden aftrek.

De toerekening aan de fiscale partner gaat zo ver dat het gemeenschappelijk inkomen dat eigenlijk aan de één toebehoort, volledig aan de ander kan worden doorgegeven. Het beste kan daarbij natuurlijk een zodanige verdeling worden gekozen dat samen zo min mogelijk belasting hoeft te worden betaald, of zo veel mogelijk belasting wordt bespaard. Fiscale partners zullen dan ook bij het invullen van hun aangifte het nodige rekenwerk moeten verrichten, om precies uit te zoeken welke verdeling het gunstigst is. Er kan alleen sprake zijn van gemeenschappelijk inkomen als gedurende het gehele jaar sprake is van dezelfde fiscale partner.

Voorbeeld 16

Een gehuwde heeft alleen inkomen uit arbeid en zit voor een bedrag van € 10.000 in het hoogste tarief van 52% van box 1. Zijn echtgenoot heeft een iets lager inkomen, waardoor deze in het 42%-tarief zit. Samen hebben ze een eigen woning. Het eigenwoningforfait minus de rentekosten levert per saldo een aftrekpost op van € 5.000. De inkomsten uit de eigen woning, die eigenlijk voor de helft voor ieders rekening komen, behoren tot het gemeenschappelijk inkomen en kunnen dus naar believen worden verdeeld. In dit geval besparen ze het meeste als de aftrekpost volledig wordt toegerekend aan de partner met het hoogste inkomen; ze krijgen dan een belastingvermindering van € 2.600, oftewel 52% van € 5.000. Op elke euro die de andere echtgenoot voor zijn rekening zou nemen, zouden ze immers slechts 42% besparen. Dat scheelt € 500.
 
Uiteraard doen zich in de praktijk talloze, veel ingewikkelder situaties voor waarin de gunstigste verdeling minder makkelijk valt te bepalen. Elke vrijheid kent zijn prijs! Bij de berekening moet in elk geval worden gekeken naar de optimale verdeling van het gemeenschappelijk inkomen over beide inkomens in box 1. Hierbij moet worden bedacht dat alle onderdelen van de persoonsgebonden aftrek tot het gemeenschappelijk inkomen behoren. Bij gebrek aan inkomen in box 1 kunnen die onderdelen ook in box 3 – of uiteindelijk in box 2 – worden afgetrokken. Dan zou kunnen worden uitgerekend of dat nog voordeliger is. Bij aftrek in box 3 komt het gemeenschappelijk inkomen in mindering op het forfaitaire rendement van 4%. Bespaard wordt dan de heffing daarover, en die is hier 30%. Tot 2009 gold dat partners hun keuze konden herzien totdat één van beide aanslagen onherroepelijk vaststond. Maar sinds 1 januari 2009 kunnen fiscale partners de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag nog wijzigen totdat beide aanslagen onherroepelijk vaststaan (Art. 2.17, vierde lid, Wet IB 2001 en het besluit van 18 maart 2010, nr. DGB2010/745M, Stcrt. 2010, 4802, V-N 2010/18.24).

Let op

De vrije toerekening van de bestanddelen van de vermogensrendementsgrondslag is met ingang van 1 januari 2008 niet meer mogelijk in de gevallen waarin één van de beide partners in de loop van het kalenderjaar is overleden. In dat geval moet iedere partner (zijn/haar aandeel in) de bestanddelen van de vermogensrendementsgrondslag aangeven waarvan hij of zij de juridische eigenaar is.
 
Met ingang van 1 januari 2010 kunnen de belastingplichtige en zijn partner de bestanddelen van de rendementsgrondslag niet meer vrij aan elkaar toerekenen. Vanaf die datum is die verdeling alleen nog mogelijk voor de gezamenlijke rendementsgrondslag (Art. 2.17, tweede lid, Wet IB 2001). Hieronder wordt verstaan de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner, verminderd met het heffingvrij vermogen van hen beiden (Art. 5.2, tweede lid, Wet IB 2001).

Laatst aangepast op woensdag, 12 september 2012 13:51
Redactie Belasting Collectief Nederland

De leden van Belasting Collectief Nederland specialiseren zich voornamelijk in belastingadvies aan bedrijven. Dankzij onze bijzondere werkwijze kunnen zij zeer hoogwaardige dienstverlening aanbieden tegen zeer concurrerende tarieven. Dit betekent voor u aanzienlijke kostenbesparingen.

Log in om reacties te plaatsen

Tweets

Login