U bent hier:

Belasting Collectief Nederland

Hoge servicekosten deels van invloed op WOZ-waarde van serviceflat

Mevrouw X bezat een appartement in een verzorgingsflat, dat zij in 2006 voor € 87.500 had gekocht. De servicekosten bedroegen € 487,50 per maand. In het flatgebouw bevonden zich gezamenlijke ruimtes en voorzieningen zoals een winkel en een kapper. Voor de serviceflat was sprake van ballotage en de appartementen werden uitsluitend aan personen van 50 jaar en ouder zonder kinderen verkocht. Mevrouw X was het niet eens met de WOZ-waarde per 1 januari 2005 van € 153.000. Hof Amsterdam stelde de WOZ-waarde in goede justitie vast op € 125.000. De gemeente Zeist ging in cassatie

Is de werkkostenregeling nog wel aantrekkelijk?

Met ingang van 2011 kennen we de werkkostenregeling. Vanaf 2014 is de werkkostenregeling verplicht voor iedere werkgever. Tot die tijd mag de werkgever per jaar kiezen voor de werkkostenregeling of het oude systeem. Tot op heden heeft, naar verluidt, slechts 25% van alle werkgevers gekozen om de werkkostenregeling al toe te passen. De staatsecretaris van Financiën vindt dat erg teleurstellend. Daarom doet de staatssecretaris van Financiën (en de Belastingdienst) erg zijn best om de werkkostenregeling voor iedere inhoudingsplichtige aantrekkelijk te maken.

Dit heeft tot gevolg dat er steeds meer regel(tjes) bekend worden gemaakt, via besluiten en via de website van de Belastingdienst. Toen de werkkostenregeling werd geïntroduceerd, bestonden er (volgens het ministerie van Financiën) 29 regels. Dit zouden er minder worden. Volgens telling zijn het er nu echter 39! Het lijkt er op dat dat het daarmee juist niet extra aantrekkelijk wordt om over te stappen op de werkkostenregeling.

Verkoop horecapand betekende nog geen staking

X exploiteerde een hotel-café-restaurant in een pand dat zijn eigendom was en dat tot het ondernemingsvermogen was gerekend. Zijn omzet liep steeds meer terug, onder meer door financiële problemen van een grote afnemer. In de eerste helft van 2005 startte X daarom besprekingen over de mogelijke overname van een andere horeca-onderneming. In september verkocht hij het pand en de inventaris aan een derde. In 2006 beëindigde X de dienstbetrekkingen met het personeel. In 2007 kocht X een eetcafé, maar hij verkocht die zaak een jaar later omdat de exploitatie van de door hem voorziene horecazaak niet mogelijk bleek. Terzake van de met de verkoop van het pand behaalde boekwinst vormde X in 2005 een herinvesteringsreserve (HIR).

Hoe krijg ik mijn in Duitsland betaalde BTW terug?

In de loop van een kalenderjaar kan het gebeuren, dat voorbelastingbedragen van een niet in Duitsland gevestigde ondernemer al naar gelang zijn omzet in Duitsland op twee verschillende manieren kunnen worden teruggevorderd: enerzijds in het kader van een restitutiesysteem, het Vorsteuer-Vergütungsverfahren, anderszijds in het kader van de algemene omzetbelastingprocedure via het voor Nederlandse ondernemers verantwoordelijke Finanzamt in Kleve, de zogenoemde Regelbesteuerung. Omdat dit in de praktijk nogal lastig is, heeft het Duitse Ministerie van Financiën begin juni hieromtrent een vereenvoudiging teweeggebracht.

Heffingsrente herzien volgens herzieningregels van aanslag

Aan BV X werd op 26 februari 2003 een naheffingsaanslag LB opgelegd van € 967.325. Op het aanslagbiljet was een beschikking vermeld waarbij € 68 aan heffingsrente in rekening was gebracht. In een brief van 25 april 2003 deelde de inspecteur aan BV X mee dat de heffingsrente door een onjuiste administratieve verwerking tot een te laag bedrag was berekend, en dat ter correctie van deze fout een naheffingsaanslag zou worden opgelegd. BV X ging in beroep en stelde dat de inspecteur een vastgestelde beschikking heffingsrente niet bij nadere beschikking kon verhogen. Hof Amsterdam besliste dat de nadere beschikking moest worden vernietigd, omdat voor het herzien van de beschikking een expliciet wettelijke grondslag ontbrak.

Belastingplan 2012: De zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting

Zorginstellingen in Nederland worden meestal in de vorm van een stichting gedreven. In de meeste gevallen komen zorginstellingen in aanmerking voor de zorgvrijstelling en in de Vpb. Onder voorwaarden zijn namelijk vrijgesteld die instellingen die zorg verlenen en die instellingen die het bijbehorende onderkomen verzorgen. Bij deze laatste categorie kunt u denken aan instellingen die het woon- of zorgvastgoed van zorginstellingen beheren.

Pagina 1 van 16

Logo-FCK-Fiscaal-KennisCenrum Zoeken-v4

Een belastingadviseur waar je op kan vertrouwen?

Klik hier voor een belastingadviseur in de buurt.