Mevrouw X bezat een appartement in een verzorgingsflat, dat zij in 2006 voor € 87.500 had gekocht. De servicekosten bedroegen € 487,50 per maand. In het flatgebouw bevonden zich gezamenlijke ruimtes en voorzieningen zoals een winkel en een kapper. Voor de serviceflat was sprake van ballotage en de appartementen werden uitsluitend aan personen van 50 jaar en ouder zonder kinderen verkocht. Mevrouw X was het niet eens met de WOZ-waarde per 1 januari 2005 van € 153.000. Hof Amsterdam stelde de WOZ-waarde in goede justitie vast op € 125.000. De gemeente Zeist ging in cassatie.
De Hoge Raad was het met het Hof eens dat de waardedrukkende invloed van de ballotagevoorwaarden bij de vaststelling van de WOZ-waarde buiten beschouwing moest blijven, en ook dat wel rekening moest worden gehouden met verschillen in bouwkundig opzicht voorzover daardoor het verschil in marktprijs ten opzichte van vergelijkbare woningen werd verklaard. Dat gold volgens de Hoge Raad ook voor verschillen in de bouwkundige inrichting die tot uitdrukking kwamen in hogere servicekosten voor bijvoorbeeld extra onderhouds- en stookkosten. Dat waren lasten die door de onroerende zaak zelf werden opgeroepen, en waarmee een gegadigde voor de onroerende zaak rekening zou houden bij het uitbrengen van zijn bod. Bij de vaststelling van de WOZ-waarde op een aanzienlijk hoger bedrag dan de door mevrouw X betaalde koopprijs was het Hof er volgens de Hoge Raad kennelijk mede van uitgegaan dat de verplichting tot betaling van servicekosten voor het overige een persoonlijke verplichting vormde, waartegenover diensten werden ontvangen die geen betrekking hadden op de onroerende zaak zelf. Met dergelijke verplichtingen moest volgens de Hoge Raad bij het bepalen van de WOZ-waarde geen rekening worden gehouden. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de gemeente ongegrond.
Redactie Fiscaal up to Date 7-2-2012