Aan BV X werd op 26 februari 2003 een naheffingsaanslag LB opgelegd van € 967.325. Op het aanslagbiljet was een beschikking vermeld waarbij € 68 aan heffingsrente in rekening was gebracht. In een brief van 25 april 2003 deelde de inspecteur aan BV X mee dat de heffingsrente door een onjuiste administratieve verwerking tot een te laag bedrag was berekend, en dat ter correctie van deze fout een naheffingsaanslag zou worden opgelegd. BV X ging in beroep en stelde dat de inspecteur een vastgestelde beschikking heffingsrente niet bij nadere beschikking kon verhogen. Hof Amsterdam besliste dat de nadere beschikking moest worden vernietigd, omdat voor het herzien van de beschikking een expliciet wettelijke grondslag ontbrak.
De Hoge Raad besliste echter dat uit de tweede volzin van artikel 30j, lid 1, AWR volgde dat voor de vaststelling bij beschikking van het verschuldigde bedrag aan heffingsrente dezelfde regels golden als voor het vaststellen door middel van een belastingaanslag van de belastingschuld waarop de berekening van die heffingsrente was gebaseerd. In een geval waarin bij een belastingaanslag niet de gehele daarmee verbonden heffingsrente in rekening was gebracht, kon volgens de Hoge Raad een correctie plaatsvinden onder dezelfde voorwaarden als die waaronder de met die heffingsrente samenhangende belastingaanslag gecorrigeerd kon worden als zij tot een te laag bedrag was vastgesteld. Een zodanige correctie moest plaatsvinden door middel van een nadere voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 30j, lid 1, eerste volzin, van de AWR. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en deed de zaak zelf af.
Redactie Fiscaal up to Date 24-1-2012