U bent hier:

Fiscaal up to Date

Negeren van belaste winstuitkering in aanvullende aangifte was ambtelijk verzuim

Fransman X woonde in Nederland en werkte tot eind 2003 in dienstbetrekking bij de in Nederland gevestigde werkgever A. In 1998 had hij een overeenkomst gesloten op grond waarvan hij na zijn uitdiensttreding recht had op winstafhankelijke uitkeringen. Over de belastingheffing hierover sloten X en de inspecteur in 1998 een VSO. In 2004 ontving X een PPA-uitkering € 2 mln. Hij vermeldde deze uitkering niet in zijn aangifte, maar op 1 mei 2006 deed hij een aanvulling op de aangifte waarin de uitkering werd opgegeven. De inspecteur legde in oktober 2006 een aanslag overeenkomstig de oorspronkelijk ingediende aangifte op. Nadat X in 30 oktober 2006 meldde dat daarbij geen rekening was gehouden met de PPA-uitkering, volgde in juni 2007 een navorderingsaanslag. X ging in beroep en stelde dat niet kon worden nagevorderd, omdat de inspecteur een ambtelijk verzuim had gepleegd. Subsidiair stelde hij dat op de uitkering de 30%-regeling moest worden toegepast.

Arresten over landbouwvrijstelling rechtvaardigden heretikettering niet

X en zijn echtgenote exploiteerden een fruitbedrijf. In 1998 brachten zij een perceel grond van het ondernemingsvermogen over naar privé voor de bouw van een woning. Volgens de inspecteur leidde dit tot een belaste bestemmingswijzigingswinst. Rechtbank Haarlem besliste dat de landbouwvrijstelling niet van toepassing was op de bestemmingswijzigingswinst en verwees daarvoor naar de arresten van de Hoge Raad van 7 mei 2004. Omdat de aanslagen over 1999 tot en met 2002 inmiddels vaststonden, kon X ook niet terugkomen op de eerder gemaakte keuze de grond tot het privé-vermogen te rekenen. Hof Amsterdam besliste echter dat de 7 mei-arresten een belangrijke en onverwachte koerswijziging van de Hoge Raad waren waarin afstand werd gedaan van eerdere jurisprudentie over de toepassing van de landbouwvrijstelling met betrekking tot zogenoemde eerste bedrijfswoningen. Doordat X door de 7 mei-arresten was geconfronteerd met een acute belastingclaim was er volgens het Hof aanleiding voor een beroep op een bijzondere omstandigheid waardoor kon worden teruggekomen op de gedane keuze, hoewel de aanslagen over latere jaren reeds onherroepelijk vaststonden. De Minister van Financiën ging in cassatie.

30%-regel voor na uitdiensttreding ontvangen optievoordeel

Amerikaan X was als statutair bestuurder in dienstbetrekking werkzaam in Nederland en had vanaf 1 november 2002 recht op de 30%-regeling. Tijdens zijn dienstbetrekking in Nederland kreeg hij voorwaardelijke aandelenopties toegekend, die na 31 december 2005 onvoorwaardelijk werden. Op 31 december 2005 eindigde het dienstverband van X en keerde hij terug naar de VS. In 2006 genoot hij een voordeel van € 2,3 mln uit de opties, dat als nagekomen bate terzake van de in Nederland verrichte dienstbetrekking werd belast. X stelde dat de 30%-regeling ook op het voordeel uit de opties van toepassing was, omdat die een looptijd hadden van tien jaar.

Volgens staatssecretaris geen misstanden bij de Belastingdienst

Abvakabo FNV luidde op 12 april 2012 de noodklok voor de Belastingdienst. Een aantal leden van Abvakabo FNV die bij de Belastingdienst werkt, meldde via een persconferentie en een actieboek misstanden die volgens hen maken dat de Staat jaarlijks miljarden euro's aan belastinggeld misloopt. Na berichten in de algemene pers stelde de Tweede Kamer vragen aan de staatssecretaris.

EHRM rekt zwijg- en inzagerecht in fiscale boetezaak op

Het EHRM heeft een arrest gewezen dat grote gevolgen kan hebben voor belastingzaken waarin fiscale boeten aan de orde zijn. In de zaak Chambaz v. Switzerland heeft de meerderheid van de derde kamer van het EHRM beslist dat het recht op een eerlijk proces van artikel 6 EVRM was geschonden omdat de Zwitserse Belastingdienst bij de behandeling van de fiscale aangelegenheden van zakenman Chambaz het algemene rechtsbeginsel van het verbod op zelfincriminatie en het beginsel van equality of arms niet in acht had genomen. De Zwitserse Belastingdienst had naar aanleiding van de aangifte IB 1989 en 1990 aan Chambaz gevraagd alle documenten met betrekking tot de relatie met zijn vermogensbeheerder en zijn bankrekeningen te overleggen. Chambaz weigerde het gevraagde te overleggen, waarop een boete van € 1.440 volgde en vervolgens wegens een volgende weigering een tweede boete van € 2.159. Chambaz verzocht de Belastingdienst daarop om het verslag van het onderzoek te overleggen.

Pagina 1 van 10