Belasting Collectief Nederland

Dutch Chinese (Simplified) English French German Spanish
vrijdag, 21 september 2012 11:40

Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Geschreven door 

Opschrift

Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Aanhef

  • De Staatssecretaris van Financiën;

  • Handelende na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

  • Gelet op de artikelen 1.5 , 2.2 , 2.5 , 2.14 , 3.10 , 3.13 , 3.16 , 3.17 , 3.20 , 3.27 , 3.48 , 3.49 , 3.63 , 3.83 , 3.86 , 3.87 , 3.104 , 3.138 , 3.140 , 3.141 , 3.143 , 3.145 , 3.152 , 3.154 , 4.7 , 4.14 , 4.51 , 5.14, 5.15 , 5.17 , 5.18 , 6.8 , 6.14 , 6.15 , 6.17 , 6.23 , 6.26 , 6.37 en 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ,

  • Besluit:

  • Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Hoofdstukken

  • Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen ()

  • Artikel 1 Reikwijdte en definitie

  •  

    • 1 Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 1.5 , 1.7 , 2.2 , 2.5 , 2.14a , 3.10 , 3.13 , 3.16 , 3.17 , 3.20 , 3.22 , 3.27 , 3.55 , 3.56 , 3.57 , 3.63 , 3.83 , 3.87 , 3.104 , 3.119a , 3.138 , 3.152 , 3.154 , 4.7 , 4.14 , 4.17a , 4.17b , 4.17c , 4.41 , 4.51 , 5.14 , 5.15 , 5.17 , 5.18 , 5.18a , 6.14 , 6.15 , 6.17 , 6.23 , 6.26 , 7.2 , 8.9a , 8.14a , 8.14b , 9.2 , 9.4 , 9.6 en 10a.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 , de artikelen 14 en 14a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXIII van het Belastingplan 2010 .

  •  

    • 2 Deze regeling verstaat onder:

    •  

      • a.wet: Wet inkomstenbelasting 2001 ;

    •  

      • b.inhoudingsplichtige: de inhoudingsplichtige als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 ;

    •  

      • c.openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram, metro, veerpont of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig.

  • Artikel 2 In belangrijke mate onderhouden van kinderen

  • Een kind wordt in belangrijke mate op kosten van de ouder onderhouden indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 408 per kwartaal beloopt. De ouder wordt geacht een kind in belangrijke mate op zijn kosten te onderhouden indien hij voor het kind recht heeft op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met de Algemene Kinderbijslagwet overeenkomende buitenlandse regeling.

  • Artikel 2a Ingegane lijfrenten waarvan de termijnen niet in geldeenheden, maar in units zijn vastgesteld

  •  

    • 1Een aanspraak op periodieke uitkeringen waarvan de uitkeringen zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de uitkeringen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, wordt op grond van artikel 1.7, derde lid, van de wet gelijkgesteld met een aanspraak op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen indien wordt voldaan aan de hierna opgenomen regels.

  •  

    • 2Met betrekking tot de uitkeringen en de administratieve vormgeving daarvan gelden de volgende regels:

    •  

      • a.de termijnen van een oudedagslijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel c, van de wet worden op de ingangsdatum uitgedrukt in een vast aantal beleggingseenheden (units) per jaar;

    •  

      • b.indien bij een of meer van de onder a genoemde lijfrenten een nabestaandenlijfrente als bedoeld in artikel 3.125, onderdeel b, van de wet is meeverzekerd, dient deze op de ingangsdatum van de lijfrente waarbij deze is meeverzekerd te worden uitgedrukt in een vast aantal beleggingseenheden per jaar; in plaats daarvan kan op die ingangsdatum voor de nabestaandenlijfrente een kapitaal worden bepaald dat dient als rekengrootheid voor de vaststelling van de hoogte van de termijnen van de nabestaandenlijfrente in beleggingseenheden of euro’s; indien de nabestaandenlijfrente niet een lijfrente in beleggingseenheden of een gerichte lijfrente is, maar is verzekerd als een recht op uitkeringen in euro’s, wordt de nabestaandenlijfrente geadministreerd als een zelfstandig recht ten opzichte van de in onderdeel a genoemde lijfrenten;

    •  

      • c.de hoogte van de uiteindelijk in euro’s uit te keren termijnen van lijfrente dient uitsluitend te worden beïnvloed door het verschil tussen het feitelijk behaalde beleggingsrendement en de rekenrente die ten tijde van het ingaan van de lijfrente als rekenrendement is gehanteerd. Daartoe wordt de contante waarde van de termijnen in beleggingseenheden actuarieel bijgehouden overeenkomstig de wijze waarop dat geschiedt voor termijnen van lijfrenten in euro’s.

  •  

    • 3Met betrekking tot de tariefgrondslagen voor het berekenen van de uitkeringen gelden de volgende regels:

    •  

      • a.de verzekeraar van de lijfrente gaat op de ingangsdatum van de lijfrente uit van sterftegrondslagen die passen bij de sterfterisico’s van de verzekerde rechten;

    •  

      • b.de verzekeraar van de lijfrente gaat ter berekening van het op jaarbasis uit te keren vaste aantal beleggingseenheden uit van ten hoogste het netto rekenrendement dat hij op de ingangsdatum hanteert voor soortgelijke lijfrenten in euro’s of van het op de ingangsdatum van de lijfrente geldende u-rendement zoals dat periodiek wordt gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars; gedurende de looptijd vindt geen herberekening plaats van het aantal jaarlijks uit te keren beleggingseenheden;

    •  

      • c.in de hoogte van de termijnen van lijfrente in beleggingseenheden wordt geen inflatie-element verdisconteerd.

  •  

    • 4Jaarlijks verwerkt de verzekeraar, overeenkomstig de bij lijfrenteverzekeringen met uitkeringen in euro’s te hanteren handelwijze, de actuariële gevolgen van de op de ingangsdatum veronderstelde tariefgrondslagen in de administratie van de contante waarde van de uitkeringen in beleggingseenheden en in de administratie van de beleggingswaarde zelf.

  •  

    • 5Met betrekking tot de peildatum en de periode van vaststellen van de uitkeringen in euro’s gelden de volgende regels:

    •  

      • a.bij de berekening van de per vervallen termijn verschuldigde uitkering in euro’s kan worden uitgegaan van de waarde van de beleggingseenheid op een vaste peildatum in de kalendermaand van betaling of in de daaraan voorafgaande kalendermaand;

    •  

      • b.gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden (herrekenperiode) kunnen de in de herrekenperiode uit te keren termijnen bij aanvang daarvan in euro’s worden vastgesteld; de hoogte van de uitkeringen in euro’s dient daarbij te worden bepaald op basis van de werkelijke waarde van de beleggingseenheid per een vaste peildatum gelegen in de kalendermaand waarin de herrekenperiode ingaat of in een van de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden; slechts eenmalig kan worden gekozen voor een datum van ingang van de herrekenperiode.

  •  

    • 6Met betrekking tot meeverzekerde nabestaandenlijfrenten en tot de wijze van rekening houden met het overlijden van verzekerden gelden de volgende regels:

    •  

      • a.in de in het tweede lid, onderdeel b, genoemde gevallen waarin een of meer nabestaandenlijfrenten zijn meeverzekerd, dient bij de vaststelling van de hoogte van de termijnen van de lijfrenten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, voor iedere meeverzekerde nabestaandenlijfrente op actuarieel verantwoorde wijze rekening te worden gehouden met het feit dat die nabestaandenlijfrente is meeverzekerd;

    •  

      • b.indien een meeverzekerde nabestaandenlijfrente op de ingangsdatum van een van de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde lijfrenten is uitgedrukt in een jaarlijks vast aantal beleggingseenheden, wordt bij overlijden van een verzekerde zowel de contante waarde van de beleggingseenheden als de totale beleggingswaarde herrekend. Het overlijden dient daarbij geen invloed te hebben op de waarde per beleggingseenheid. Een vrijval van de beleggingswaarde bij overlijden komt, overeenkomstig de bij uitkeringen in euro’s te hanteren handelwijze, ten goede aan de verzekeraar in verband met het door deze gelopen langlevenrisico.

  • Artikel 2b Ingegane lijfrentespaarrekeningtermijnen of lijfrentebeleggingsrechttermijnen waarvan de omvang niet in geldeenheden, maar in units is vastgesteld

  •  

    • 1Een aanspraak op termijnen als bedoeld in artikel 3.126a, vierde en zesde lid, van de wet waarvan de termijnen zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de termijnen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, wordt op grond van artikel 3.126a, zevende lid, in verbinding met artikel 1.7, derde lid, van de wet gelijkgesteld met een aanspraak op vaste en gelijkmatige termijnen indien wordt voldaan aan de hierna opgenomen regels.

  •  

    • 2Met betrekking tot de termijnen en de administratieve vormgeving daarvan gelden de volgende regels:

    •  

      • a.de termijnen worden op de ingangsdatum uitgedrukt in een vast aantal beleggingseenheden (units) per jaar;

    •  

      • b.de hoogte van de uiteindelijk in euro’s uit te keren termijnen dient uitsluitend te worden beïnvloed door het verschil tussen het feitelijk behaalde beleggingsrendement en de rekenrente die ten tijde van het ingaan van de termijnen als rekenrendement is gehanteerd.

  •  

    • 3Met betrekking tot de grondslagen voor het berekenen van de termijnen gelden de volgende regels:

    •  

      • a.de bank of beheerder, bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, van de wet , gaat ter berekening van het op jaarbasis uit te keren vaste aantal beleggingseenheden uit van ten hoogste het netto rekenrendement dat hij op de ingangsdatum hanteert voor soortgelijke termijnen in euro’s of van het op de ingangsdatum van de termijnen geldende u-rendement zoals dat periodiek wordt gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars; gedurende de looptijd vindt geen herberekening plaats van het aantal jaarlijks uit te keren beleggingseenheden;

    •  

      • b.in de hoogte van de termijnen in beleggingseenheden wordt geen inflatie-element verdisconteerd.

  •  

    • 4Met betrekking tot de peildatum en de periode van vaststellen van de termijnen in euro’s gelden de volgende regels:

    •  

      • a.bij de berekening van de verschuldigde termijn in euro’s kan worden uitgegaan van de waarde van de beleggingseenheid op een vaste peildatum in de kalendermaand van betaling of in de daaraan voorafgaande kalendermaand;

    •  

      • b.gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden (herrekenperiode) kunnen de in de herrekenperiode uit te keren termijnen bij aanvang daarvan in euro’s worden vastgesteld; de hoogte van de termijnen in euro’s dient daarbij te worden bepaald op basis van de werkelijke waarde van de beleggingseenheid per een vaste peildatum gelegen in de kalendermaand waarin de herrekenperiode ingaat of in een van de twee daaraan voorafgaande kalendermaanden; slechts eenmalig kan worden gekozen voor een datum van ingang van de herrekenperiode.

  • Hoofdstuk 2 Raamwerk ()

  • Artikel 3 Woonplaatsfictie; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; aanwijzing mogendheid

  • Voor de toepassing van artikelen 2.2, eerste lid , en 2.5, eerste lid van de wet , worden, voorzover het niet gaat om lidstaten van de Europese Unie, als de in die bepalingen bedoelde mogendheden aangewezen alle mogendheden waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen, waarvan de bepalingen van toepassing zijn.

  • Artikel 4a Toerekening afgezonderd particulier vermogen

  •  

    • 1Degene die als begunstigde een juridisch afdwingbaar recht heeft ten laste van een afgezonderd particulier vermogen, wordt in zoverre in de belastingheffing betrokken.

  •  

    • 2Indien aan twee of meer personen de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend, wordt bij deze toerekening aangesloten bij de waarde van hetgeen ten tijde van de afzondering door ieder van de bedoelde personen of hun rechtsvoorgangers is afgezonderd in de zin van artikel 2.14a, derde lid, van de wet . Met uitkeringen uit het vermogen van het afgezonderd particulier vermogen wordt op overeenkomstige wijze rekening gehouden.

  •  

    • 3Ingeval bij een afzondering van vermogen in een afgezonderd particulier vermogen niet bekend is welk vermogen door iemand is afgezonderd, vindt toerekening van dit vermogen plaats naar rato van het aantal personen dat vermogen daarin heeft afgezonderd.

  •  

    • 4Onder het onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect, afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen, bedoeld in artikel 2.14a, derde lid, onderdeel a, van de wet , wordt mede verstaan:

    •  

      • a.het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen tegen een prijs die afwijkt van de waarde in het economische verkeer;

    •  

      • b.het bedingen van voorwaarden bij het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen die niet overeenkomen met voorwaarden die in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn;

    •  

      • c.het inbrengen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen waarbij de inbreng en daarmee samenhangende rechtshandelingen gericht zijn op of direct of indirect verband houden met het ontgaan of uitstellen van de toerekening, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van de wet .

  •  

    • 5Bezittingen en schulden van een afgezonderd particulier vermogen worden in aanmerking genomen naar de waarde in het economisch verkeer die zou gelden als deze bezittingen en schulden deel zouden uitmaken van het vermogen van degene aan wie de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend.

  •  

    • 6De erfgenaam die gebruik wil maken van de tegenbewijsregeling, bedoeld in artikel 2.14a, zesde lid, van de wet , dient ten minste de volgende gegevens aan de inspecteur over te leggen:

    •  

      • a.een beschrijving van het soort afgezonderd particulier vermogen en land van vestiging;

    •  

      • b.de oprichtingsakte van het afgezonderd particulier vermogen inclusief bijlagen (zoals instructies, reglementen, letter of wishes, statuten);

    •  

      • c.de meest actuele jaarstukken van het afgezonderd particulier vermogen over minimaal drie jaren;

    •  

      • d.naam- en adresgegevens van de inbrenger van het vermogen en van de overige erfgenamen;

    •  

      • e.alle overige stukken waaruit blijkt dat de bedoelde erfgenaam geen begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen en dit in de toekomst ook nooit kan worden.

  • Hoofdstuk 3 Heffingsgrondslag bij werk en woning ()

  • Artikel 5 Belastbare winst uit onderneming; verliezen uit de aanloopfase van een onderneming

  • Bij het bepalen van de winst van het eerste kalenderjaar als ondernemer komt mede in aftrek het totale bedrag van de kosten en lasten die zijn gemaakt in de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren en die verband houden met het starten van de onderneming, voorzover:

  •  

    • a.er in die periode geen opbrengsten tegenover hebben gestaan en

  •  

    • b.zij niet ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning kunnen of konden worden gebracht.

  • Artikel 6 Belastbare winst uit onderneming; overige vrijstellingen; gedeeltelijke vrijstelling van bos en natuur

  •  

    • 1Als regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur of overeenkomsten die op die regelingen vooruitlopen als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden aangewezen:

    •  

      • a.de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer zoals die luidde tot 1 januari 2000;

    •  

      • b.de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zoals die luidde tot 1 januari 2007;

    •  

      • c.de Subsidieregeling natuurbeheer van de onderscheiden provincies;

    •  

      • d.de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer zoals die luidde tot 1 januari 2007, voor zover betrekking hebbende op de landschapssubsidie, bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel b, van die regeling ;

    •  

      • e.de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de onderscheiden provincies, voor zover betrekking hebbende op de landschapssubsidie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van die regeling;

    •  

      • f.de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer van de onderscheiden provincies, voor zover betrekking hebbende op de subsidie natuurbeheer, bedoeld in artikel 3.1 van die verordening, en de subsidie landschapsbeheer, bedoeld in artikel 5.1.1.1 van die verordening;

    •  

      • g.de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap van de onderscheiden provincies, voor zover betrekking hebbende op de investeringssubsidie, bedoeld in artikel 8, eerste, derde en vierde lid, van die regeling, en de subsidie functieverandering, bedoeld in artikel 15 van die regeling;

    •  

      • h.de overeenkomsten met het Bureau Beheer Landbouwgronden:

      •  

        • 1°.met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende nummer: 005/9001 van 29 mei 1996;

      •  

        • 2°.met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende nummer: 008/9001 van 30 mei 1996;

      •  

        • 3°.met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende nummer: 004/9001 van 27 oktober 1997;

      •  

        • 4°.met het door de Dienst Landelijk Gebied toegekende nummer: 003/9001 van 15 december 1997;

    •  

      • i.de beschikkingen van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 18 april 1998 met de beschikkingnummers kaderwet/pnb/01, kaderwet/pnb/02 en kaderwet/pnb/03.

  •  

    • 2Van de voordelen die worden genoten op grond van de in het eerste lid, onderdelen a, h en i, bedoelde regelingen en overeenkomsten behoort 90% niet tot de winst. Van de voordelen die worden genoten op grond van de in het eerste lid, onderdelen b tot en met g, bedoelde regelingen en overeenkomsten behoort 100% niet tot de winst.

  • Artikel 6a Belastbare winst uit onderneming; overige vrijstellingen; vrijstelling mobiliteitsprojecten

  • Als mobiliteitsprojecten in het kader van het project Anders betalen voor mobiliteit of het programma Beter Benutten als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de wet worden aangewezen:

  •  

    • a.Spitsmijden A15 als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Spitsmijden A15 (Stcrt. 2009, 14);

  •  

    • b.Mobiliteitsproject ‘Prijsprikkels door Bedrijven voor de Bereikbaarheid van Haaglanden’ als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject ‘Prijsprikkels door Bedrijven voor de Bereikbaarheid van Haaglanden’ (Stcrt. 2009, 10581);

  •  

    • c.Mobiliteitsproject regio Eindhoven-’s-Hertogenbosch als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject regio Eindhoven-’s-Hertogenbosch (Stcrt. 2009, 11790);

  •  

    • d.Mobiliteitsprojecten SLIM Prijzen en SLIM Prijzen Waalbrug als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsprojecten SLIM Prijzen en SLIM Prijzen Waalbrug (Stcrt. 2009, 18102);

  •  

    • e.Mobiliteitproject Beloningsmaatregel Utrecht Oost als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject Beloningsmaatregel Utrecht Oost (Stcrt. 2009, 18120);

  •  

    • f.Mobiliteitsproject Spitsmijden A12-corridor (Stcrt. 2011, 19634).

  • Artikel 7 Belastbare winst uit onderneming; van aftrek uitgesloten kosten ten behoeve van de belastingplichtige; werkkleding

  • Voor de toepassing van artikel 3.16, tweede lid, onderdeel c, van de wet wordt kleding die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het behalen van de winst te dragen, slechts als werkkleding aangemerkt indien zij is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de onderneming gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm2.

  • Artikel 8 Belastbare winst uit onderneming; in aftrek beperkte kosten ten behoeve van de belastingplichtige; verhuizing in kader van onderneming

  •  

    • 1Voor de toepassing van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet verhuist de ondernemer in ieder geval in het kader van de onderneming ingeval hij binnen twee jaar na de verplaatsing van de onderneming door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de vestigingsplaats van de onderneming met ten minste 60% verkleint terwijl tot die verhuizing de afstand tussen zijn woning en de vestigingsplaats van de onderneming ten minste 25 kilometer bedroeg.

  •  

    • 2 Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

  • Artikel 9 Belastbare winst uit onderneming; bijtelling privé-gebruik auto

  • De rittenregistratie als bedoeld in artikel 3.20 van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

  •  

    • a.merk, type en kenteken van de auto;

  •  

    • b.periode van terbeschikkingstelling van de auto;

  •  

    • c.per rit:

    • 10. datum;

    • 20. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

    • 30. beginadres en eindadres;

    • 40. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

    • 50. het karakter van de rit.

  • Artikel 9a Constatering van het niet afgenomen zijn van het aandeel van de netto-tonnage van bepaalde schepen

  • Met betrekking tot het kalenderjaar 2012 wordt voor de toepassing van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, van de wet vastgesteld dat op landelijk niveau de netto-tonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten van de Europese Unie of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte als percentage van de netto-tonnage van kwalificerende schepen in de periode 2008 tot en met 2010 ten opzichte van de periode 2007 tot en met 2009 niet is afgenomen.

  • Artikel 10 Belastbare winst uit onderneming; loon- en prijswijzigingen na afloop jaar en betaling

  •  

    • 1 In afwijking van artikel 3.27, tweede lid, van de wet is het eerste lid van dat artikel mede van toepassing op de betaling van premies voor risicoverzekeringen voor weduwen- en wezenpensioenen, voorzover het in de premies begrepen bestanddeel voor toekomstige wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen niet meer bedraagt dan nodig is voor een aanpassing aan een zodanige wijziging van 4% per jaar.

  •  

    • 2 In afwijking van artikel 3.27, derde lid, van de wet is het eerste lid van dat artikel mede van toepassing op de betaling van premies of koopsommen aan een pensioenlichaam waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden overeenkomen met die van een pensioenfonds als bedoeld in de Pensioenwet en waarvan de winst uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ander pensioenfonds met overeenkomstige doelstelling, of een algemeen maatschappelijk belang.

  •  

    • 3 Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing voorzover de betalingen het vermogen van de onderneming onherroepelijk hebben verlaten.

  • Artikel 11 Aangewezen staten bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

  • Voor de toepassing van de artikelen 3.55, tweede en vijfde lid , 3.56, tweede lid , 3.57, tweede lid , en 4.41, tweede en derde lid, van de wet en de artikelen 14, derde lid , en 14a, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

  • Artikel 13a Belastbare winst uit onderneming; verkorting driejaarstermijn bij doorschuiving naar ondernemers of werknemers

  •  

    • 1 Aan de in artikel 3.63, vierde lid en vijfde lid, van de wet bedoelde termijn van 36 maanden wordt geacht te zijn voldaan indien zich na het aangaan van het samenwerkingsverband respectievelijk de dienstbetrekking een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid.

  •  

    • 2Het eerste lid is van toepassing indien de belastingplichtige:

    •  

      • a.door ziekte of gebreken gedurende ten minste één jaar niet in staat is, of vermoedelijk niet in staat zal zijn, om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde personen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen;

    •  

      • b.in staat van faillissement wordt verklaard;

    •  

      • c.surséance van betaling heeft aangevraagd;

    •  

      • d.onder curatele wordt gesteld;

    •  

      • e.vóór het aangaan van het samenwerkingsverband respectievelijk de dienstbetrekking met degene die de onderneming gaat voortzetten nog wel, maar vanaf enig moment daarna niet meer kan kiezen voor kwalificatie als partner van de voortzetter, of

    •  

      • f.overlijdt en de onderneming spoedig daarna aan de in artikel 3.63, vierde lid respectievelijk vijfde lid, van de wet , bedoelde voortzetter wordt overgedragen.

  • Artikel 14 Belastbaar loon; pensioen in grensoverschrijdende situaties

  • (GERESERVEERD)

  • Artikel 16 Belastbaar loon; reisaftrek

  •  

    • 1 De openbaar-vervoerverklaring, bedoeld in artikel 3.87, negende lid van de wet , is gedagtekend en bevat ten minste de volgende gegevens:

    •  

      • a.naam en adres van de belastingplichtige;

    •  

      • b.de route waarvoor de plaatsbewijzen geldig zijn;

    •  

      • c.het tijdvak van geldigheid van de plaatsbewijzen.

  •  

    • 2 De verklaring, bedoeld in artikel 3.87, negende lid, van de wet (de reisverklaring) bevat ten minste de volgende gegevens:

    •  

      • a.naam en adres van de inhoudingsplichtige;

    •  

      • b.naam en adres van de belastingplichtige;

    •  

      • c.een door de inhoudingsplichtige ondertekende verklaring, die vermeldt het aantal dagen per week dat de belastingplichtige met het openbaar vervoer naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd.

  •  

    • 3 Op verzoek van de inspecteur doet de belastingplichtige de reisverklaring, alsmede de plaatsbewijzen, aan hem toekomen.

  • Artikel 17 Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen; vrijstellingen publiekrechtelijke uitkeringen

  •  

    • 1Als uitkeringen welke niet tot de inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren, bedoeld in artikel 3.104, onderdeel h, van de wet worden aangewezen:

    •  

      • a.uitkeringen ingevolge de Wet op de huurtoeslag ;

    •  

      • b.uitkeringen ingevolge de Wet bevordering eigenwoningbezit ;

    •  

      • c.uitkeringen ingevolge de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten ;

    •  

      • d.uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Regeling opvang asielzoekers ;

    •  

      • e.uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 ;

    •  

      • f.uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf ;

    •  

      • g.uitkeringen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit taakverlichting alleenstaande werkenden/AAW ;

    •  

      • h.inkomensondersteunende uitkeringen ingevolge artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet , die overeenkomen met bijstand ter bestrijding van bepaalde noodzakelijke kosten;

    •  

      • i.uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke regeling verstrekkingen gerepatrieerden Libanon ;

    •  

      • j.uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Tijdelijke regeling voortzetting verstrekkingen gerepatrieerden Libanon .

  •  

    • 2 Als uitkeringen tot bestrijding van onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen, bedoeld in artikel 3.104, onderdeel i, van de wet , worden aangewezen: uitkeringen ingevolge de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 .

  •  

    • 3Als voorzieningen voor militaire oorlogs- of dienstslachtoffers die verband houden met invaliditeit als bedoeld in artikel 3.104, onderdeel o, van de wet worden aangewezen: voorzieningen in de zin van de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers .

  • Artikel 17bis Verdeling spaarrekening eigen woning en beleggingsrecht eigen woning bij meer dan één gerechtigde

  •  

    • 1Ingeval een spaarrekening eigen woning meer dan één rekeninghouder heeft, wordt het tegoed van de rekening in gelijke delen toegerekend aan die rekeninghouders.

  •  

    • 2Ingeval een beleggingsrecht eigen woning meer dan één eigenaar heeft, wordt de waarde van het recht in gelijke delen toegerekend aan die eigenaren.

  • Artikel 17a Aanvullende bepalingen met betrekking tot de eigenwoningreserve

  •  

    • 1Voor de toepassing van artikel 3.119a van de wet :

    •  

      • a.wordt de eigenwoningreserve die is gevormd voor het ontstaan van een algehele huwelijksgemeenschap bij ontbinding van die gemeenschap op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot verdeeld in de onderlinge verhouding waarin zij tot de gemeenschap gerechtigd zijn. Het verzoek wordt uiterlijk gedaan bij de aangifte over het jaar waarin de algehele huwelijksgemeenschap wordt ontbonden. Op dit verzoek kan niet worden teruggekomen;

    •  

      • b.wordt een woning zolang deze ten aanzien van de echtgenoot van de belastingplichtige als eigen woning wordt aangemerkt ten aanzien van de belastingplichtige mede als eigen woning aangemerkt indien de woning tot een huwelijksgemeenschap behoort of gaat behoren.

  •  

    • 2Indien in de overeenkomst ter zake van de verwerving van een eigen woning, ten behoeve van de uitvoering van het woonbeleid van de rijksoverheid of een gemeente, een clausule is opgenomen op grond waarvan bij niet nakoming van die clausule een bedrag verschuldigd is, kan bij de vervreemding van die woning het bedrag dat terzake van het niet nakomen van de clausule is betaald in mindering worden gebracht op het vervreemdingssaldo eigen woning.

  • Artikel 18 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen; verminderingen en voorkoming dubbeltellingen

  • (GERESERVEERD)

  • Artikel 23 Verliesverrekening; formalisering achterwaartse verliesverrekening

  •  

    • 1Een voorlopige verliesverrekening als bedoeld in artikel 3.152, vijfde lid, van de wet kan worden verleend indien het verlies over een kalenderjaar wordt aangegeven door de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen en te ondertekenen en de gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers in te leveren of toe te zenden.

  •  

    • 2Bij de berekening van de voorlopige verliesverrekening wordt het vermoedelijke verlies voor 80 percent in aanmerking genomen.

  • Artikel 24 Middeling

  • Bij het in artikel 3.154, eerste lid, van de wet bedoelde verzoek om middeling wordt een berekening gevoegd van de middelingsteruggaaf.

  • Hoofdstuk 4 Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang ()

  • Artikel 25 Aanmerkelijk belang; soortbenadering; aandelen verkregen in het kader van een premiespaarregeling of spaarloonregeling

  • Ten aanzien van de belastingplichtige die geen andere aandelen in een vennootschap houdt dan die welke hij heeft verkregen in het kader van een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, worden die aandelen voor de toepassing van artikel 4.7 van de wet aangemerkt als aandelen van dezelfde soort als die waarin het grootste gedeelte van het geplaatste kapitaal van de vennootschap is uitgedrukt.

  • Artikel 26 Reguliere voordelen; forfaitair voordeel uit buitenlandse beleggingslichamen; aanwijzing effectenbeurzen

  • De ingevolge artikel 4.14, achtste lid, onderdeel a, van de wet aan te wijzen effectenbeurzen zijn de effectenbeurzen in de lidstaten van de Europese Gemeenschappen, alsmede de effectenbeurzen te Zürich, New York en Tokio.

  • Artikel 26a Verzoek om toepassing doorschuifregelingen bij vererving, bij verdeling van de nalatenschap binnen twee jaar of bij schenking

  •  

    • 1Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid , artikel 4.17b, tweede lid , of artikel 4.17b, derde lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de erflater.

  •  

    • 2Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid , of artikel 4.17c, eerste lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de vervreemder.

  • Artikel 26b In het kader van een bedrijfsoverdracht uitgegeven preferente aandelen

  •  

    • 1Onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de wet wordt ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet , een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet .

  •  

    • 2Aan het gestelde in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de wet wordt ook geacht te zijn voldaan indien de daar bedoelde preferente aandelen worden verkregen van een rechtsopvolger krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht van degene die de aandelen heeft omgezet als bedoeld in genoemd onderdeel.

  •  

    • 3Indirect gehouden preferente aandelen zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde lid, laatste volzin, van de wet indien:

    •  

      • a.de preferente aandelen een omzetting vormen van een eerder door de erflater gehouden indirect belang van gewone aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde lid, onderdelen a en b, van de wet ;

    •  

      • b.de omzetting in preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander;

    •  

      • c.ten tijde van de omzetting in preferente aandelen de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een onderneming dreef als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel a, van de wet , of een medegerechtigdheid hield als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel b, van de wet, en

    •  

      • d.de verkrijger van de indirect gehouden preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of indirect aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b.

    • Voor de toepassing van dit lid wordt onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in de eerste volzin ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet , een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet . Voorts wordt daaronder ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 .

  •  

    • 4Indien preferente aandelen zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid of vijfde lid, van de wet , dan behouden deze aandelen het karakter dat zij in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c, van die wet voor zover de houder van deze preferente aandelen ook houder is van de gewone aandelen die bij het ontstaan van de preferente aandelen zijn toegekend aan de bedrijfsopvolger.

  •  

    • 5Voor de bepaling of de verkrijger van de preferente aandelen voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d, van de wet worden de preferente aandelen niet gerekend tot het geplaatste kapitaal. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voor de toepassing van het derde lid, eerste volzin, onderdeel d.

  • Artikel 26c Verkorting termijn 36 maanden uit de doorschuifregeling bij schenking

  •  

    • 1Aan de in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedoelde termijn van 36 maanden wordt geacht te zijn voldaan indien zich na het aangaan van de aldaar bedoelde dienstbetrekking een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid.

  •  

    • 2Het eerste lid is van toepassing indien de vervreemder:

    •  

      • a.door ziekte of gebreken gedurende ten minste één jaar niet in staat is, of vermoedelijk niet in staat zal zijn, om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde personen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen;

    •  

      • b.in staat van faillissement is verklaard;

    •  

      • c.surséance van betaling heeft aangevraagd, of

    •  

      • d.onder curatele is gesteld.

  • Artikel 26d Werknemer bij een werkmaatschappij in geval van schenking van aandelen in een holding

  • Aan de in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedoelde voorwaarde wordt geacht ook te zijn voldaan indien:

  •  

    • a.de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een belang heeft in een ander lichaam;

  •  

    • b.dat andere lichaam een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt, een en ander als bedoeld in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel a, van de wet , en

  •  

    • c.de verkrijger reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de vervreemding in dienstbetrekking is van dat andere lichaam.

  • Artikel 27 Verliesverrekening; formalisering achterwaartse verliesverrekening

  •  

    • 1 Een voorlopige verliesverrekening als bedoeld in artikel 4.51, vijfde lid, van de wet kan worden verleend indien het verlies over een kalenderjaar wordt aangegeven door de in de uitnodiging tot het doen van aangifte gevraagde gegevens en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen en te ondertekenen en de gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers in te leveren of toe te zenden.

  •  

    • 2 Bij de berekening van de voorlopige verliesverrekening wordt het vermoedelijke verlies voor 80 percent in aanmerking genomen.

  • Hoofdstuk 5 Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen ()

  • Artikel 28 Reikwijdte en definities

  •  

    • 1Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    •  

      • a.inspecteur: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Amsterdam;

    •  

      • b.groenproject: een project waarvoor ingevolge de Regeling groenprojecten 2010 , de Regeling groenprojecten buitenland 2002 dan wel de Regeling groenprojecten Nederlandse Antillen en Aruba 2002 een verklaring als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, van de wet is afgegeven;

    •  

      • c.sociaal-ethisch project: een project waarvoor ingevolge de Regeling sociaal-ethische projecten 2005 een verklaring als bedoeld in artikel 5.15, derde lid, van de wet is afgegeven;

    •  

      • d.cultureel project: een project waarvoor ingevolge de Regeling cultuurprojecten 2004 een verklaring als bedoeld in artikel 5.18a, derde lid, van de wet is afgegeven;

    •  

      • e.project: groenproject, sociaal-ethisch project of cultureel project;

    •  

      • f.groenfonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.14, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.14, eerste lid, van de wet is aangewezen;

    •  

      • g.sociaal-ethisch fonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.15, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.15, eerste lid, van de wet is aangewezen;

    •  

      • h.cultuurfonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.18a, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.18a, eerste lid, van de wet is aangewezen;

    •  

      • i.fonds: een groenfonds, een sociaal-ethisch fonds of een cultuurfonds;

    •  

      • j.participatiemaatschappij: een rechtspersoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.18, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.18, eerste lid, van de wet is aangewezen;

    •  

      • k.hoofdzakelijkheidscriterium: de voorwaarde inzake hoofdzakelijk als bedoeld in artikel 5.14, tweede lid , onderscheidenlijk artikel 5.15, tweede lid , artikel 5.18, tweede lid , of artikel 5.18a, tweede lid, van de wet ;

    •  

      • l.aanloopperiode: de periode, bedoeld in artikel 5.14, vierde lid , onderscheidenlijk artikel 5.15, vierde lid , artikel 5.18, vierde lid , of artikel 5.18a, vierde lid, van de wet ;

    •  

      • m.ingroeiperiode: de periode, bedoeld in artikel 5.14, vijfde lid , onderscheidenlijk artikel 5.15, vijfde lid , artikel 5,18, vierde lid , of artikel 5.18a, vijfde lid, van de wet .

  • Artikel 29 Inhoud verzoek om aanwijzing als groenfonds, sociaal-ethisch fonds of cultureel fonds, en afhandeling verzoek

  •  

    • 1Een verzoek om aanwijzing als fonds wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur onder overlegging van:

    •  

      • a.de statuten van het fonds;

    •  

      • b.een afschrift van de inschrijving in het register, bedoeld in artikel 1:107 van de Wet op het financieel toezicht , dan wel, ingeval artikel 3:2, eerste lid, onderdeel c, van die wet van toepassing is, een afschrift van de in dat lid bedoelde bankgarantie, en

    •  

      • c.een opgave van de feitelijke werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden van het fonds.

  •  

    • 2Bij een verzoek om aanwijzing als fonds met een ingroeiperiode worden tevens overgelegd:

    •  

      • a.een ingroeiplan op grond waarvan het aannemelijk is dat binnen drie maanden na de aanwijzing ten minste 30 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten;

    •  

      • b.een ingroeischema op grond waarvan het aannemelijk is dat uiterlijk twee jaren na de aanwijzing ten minste 70 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten.

  •  

    • 3De inspecteur beslist op het verzoek tot aanwijzing bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  •  

    • 4De aanwijzing vindt plaats met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, dan wel met ingang van een latere datum indien daarom is verzocht.

  •  

    • 5De inspecteur maakt het aanwijzen als een fonds als bedoeld in artikel 28, onderdeel i , op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.

  • Artikel 29a Informatievoorziening en administratieplicht

  •  

    • 1Een aangewezen fonds overlegt binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de waarde in het economische verkeer aan het einde van het boekjaar.

  •  

    • 2Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode, verstrekt het fonds onmiddellijk na afloop van die periode aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de actuele waarde in het economische verkeer.

  •  

    • 3Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode, verstrekt het fonds in die periode elk half jaar aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de actuele waarde in het economische verkeer.

  •  

    • 4Indien een fonds indirect een krediet verstrekt ten behoeve van een project, blijkt uit de administratie van de inlenende rechtspersoon ten behoeve van welk project het krediet is verstrekt.

  •  

    • 5Indien een fonds een krediet verstrekt ten behoeve van een project door tussenkomst van een ander fonds, elimineert het inlenende fonds het kredietbedrag uit het overzicht van zijn bezittingen en schulden, bedoeld in het eerste lid.

  •  

    • 6Indien een aangewezen fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanwijzing, doet het fonds daarvan onverwijld schriftelijk mededeling aan de inspecteur.

  • Artikel 29b Intrekking aanwijzing

  •  

    • 1De inspecteur trekt de aanwijzing in:

    •  

      • a.op verzoek van het fonds;

    •  

      • b.indien het fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanwijzing; dan wel

    •  

      • c.indien het fonds de in dit hoofdstuk opgenomen informatieverplichtingen jegens de inspecteur niet nakomt.

  •  

    • 2De intrekking van de aanwijzing geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  •  

    • 3De inspecteur bepaalt in de beschikking het tijdstip waarop de intrekking van de aanwijzing in werking treedt, met dien verstande dat de intrekking terugwerkende kracht heeft tot en met de dag waarop het eerste lid, onderdeel b of c, van toepassing is.

  •  

    • 4Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode en na afloop van die periode niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.

  •  

    • 5Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode en na afloop van die periode niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.

  •  

    • 6Indien het fonds de in artikel 29a, vierde lid , bedoelde mededeling onverwijld heeft gedaan, heeft de intrekking geen terugwerkende kracht.

  •  

    • 7Indien het fonds de in artikel 29a, vierde lid , bedoelde mededeling onverwijld heeft gedaan en voorts aannemelijk maakt dat het niet meer voldoen aan de voorwaarden niet langer dan drie maanden zal voortduren, een incidenteel karakter heeft en niet in strijd is met doel en strekking van de regeling, trekt de inspecteur de aanwijzing niet in. Het besluit de aanwijzing niet in te trekken, neemt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking; daarbij kan hij nadere voorwaarden stellen.

  •  

    • 8Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.

  • Artikel 30 Beleggingen in durfkapitaal; vrijstelling directe beleggingen in durfkapitaal; beginnende ondernemer-natuurlijke persoon

  • Met betrekking tot een kalenderjaar wordt als beginnende ondernemer als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel a, van de wet aangemerkt de natuurlijke persoon die naar verwachting met betrekking tot dat jaar of het daaropvolgende jaar in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek en ten aanzien van wie deze aftrek over nog niet meer dan zeven jaren is toegepast, dan wel, ingeval hij in het kalenderjaar een onderneming of een gedeelte van een onderneming overneemt, over nog niet meer dan veertien jaren is toegepast.

  • Artikel 31 Beleggingen in durfkapitaal; vrijstelling directe beleggingen in durfkapitaal; beginnende ondernemer-rechtspersoon

  • De beginnende ondernemer als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel b, van de wet , is een rechtspersoon die ten tijde van het verstrekken van de achtergestelde lening aan hem, onderscheidenlijk het nemen van een deelneming in hem moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  •  

    • a.de rechtspersoon is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap, die niet langer dan acht jaren geleden tot stand is gekomen, dan wel een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld kapitaal die:

    •  

      • 1°.is opgericht naar het op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden geldende recht, of naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie of een staat in de relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is waarin een bepaling is opgenomen die discriminatie naar nationaliteit verbiedt voor rechtspersonen die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren als een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap;

    •  

      • 2°.naar aard en inrichting vergelijkbaar is met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of naamloze vennootschap; en

    •  

      • 3°.niet langer dan acht jaren geleden tot stand is gekomen;

  •  

    • b.voor rekening van de rechtspersoon wordt in Nederland een onderneming gedreven van een zodanige omvang dat de bij hem in dienst zijnde personen te zamen naar verwachting daaraan jaarlijks ten minste 1225 uren besteden;

  •  

    • c.de voor rekening van de rechtspersoon gedreven onderneming is geen voortzetting van een onderneming die, of een gedeelte van een onderneming, dat meer dan acht jaren geleden direct of indirect is gedreven voor rekening van een persoon die thans onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is in de rechtspersoon;

  •  

    • d.de rechtspersoon voldoet aan ten minste twee van de in artikel 396, eerste lid, onderdelen a, b, en c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vermelde vereisten;

  •  

    • e.de feitelijke werkzaamheid van de rechtspersoon bestaat niet in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid.

  • Artikel 32 Beleggingen in durfkapitaal; vrijstelling directe beleggingen in durfkapitaal; voorwaarden geldlening

  • Onder een geregistreerde, achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid juncto artikel 5.17 vierde lid, van de wet wordt verstaan een geldlening:

  •  

    • a.met een hoofdsom van ten minste € 2269 ter zake waarvan een rente wordt vergoed welke niet uitgaat boven de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek;

  •  

    • b.ter zake waarvan in de overeenkomst is vermeld:

    •  

      • 1°.indien de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon is: het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de beginnende ondernemer en het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van degene die de geldlening verstrekt;

    •  

      • 2°.indien de beginnende ondernemer een rechtspersoon is als bedoeld in artikel 5.17, derde lid, onderdeel b, van de wet : het omzetbelastingnummer van de beginnende ondernemer en het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van degene die de geldlening verstrekt;

  •  

    • c.ter zake waarvan in de overeenkomst is opgenomen dat:

    •  

      • 1°.de lening jegens andere schuldeisers, gedurende ten minste de eerste acht jaren na het overeenkomen van de geldlening, een lagere rang inneemt dan is bepaald in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ;

    •  

      • 2°.indien de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon is, de lening dient ter financiering van bestanddelen die behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen van de beginnende ondernemer, dan wel, indien de beginnende ondernemer een rechtspersoon is, de lening dient ter financiering van bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden behoren zo de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van een natuurlijk persoon zou worden gedreven;

    •  

      • 3°.de lening door degene die de geldlening verstrekt niet is gefinancierd met geleend geld, en

    •  

      • 4°.de lening is verstrekt met het oog op het bepaalde in de artikelen 6.8 en 5.17, van de wet , waarvan melding wordt gemaakt in het opschrift van de overeenkomst;

  •  

    • d.waarvan de overeenkomst daartoe is ondertekend door de beginnende ondernemer en degene die de geldlening verstrekt, en

  •  

    • e.welke binnen vier weken na het overeenkomen daarvan is geregistreerd op de voet van de Registratiewet 1970 .

  • Artikel 33 Participatiemaatschappij; omvang en karakter van het vermogen, alsmede aanwijzing van de participatiemaatschappij en intrekking van de aanwijzing

  •  

    • 1Het in een participatiemaatschappij gestorte kapitaal en het door die maatschappij aangetrokken vreemd vermogen dienen te zamen ten minste € 4 537 802 te bedragen.

  •  

    • 2De door een participatiemaatschappij verstrekte, achtergestelde geldlening, bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet en de door haar gehouden deelneming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, van dat artikel , bedragen te zamen ten hoogste € 226 890 per beginnende ondernemer. De in de eerste volzin bedoelde leningen en deelnemingen kunnen voor geen langere periode dan voor de duur van acht jaren, te rekenen vanaf het tijdstip van verstrekking van de lening, onderscheidenlijk de verwerving van de deelneming, worden aangemerkt als achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet , onderscheidenlijk als deelneming als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet .

  •  

    • 3Als een achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet wordt aangemerkt de geldlening ter zake waarvan in de overeenkomst is opgenomen dat de lening jegens andere schuldeisers, gedurende ten minste de eerste acht jaren na het overeenkomen van de geldlening, een lagere rang inneemt dan is bepaald in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek , en die, in geval de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon is, dient ter financiering van bestanddelen die bij de beginnende ondernemer behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen van die onderneming en, in geval de beginnende ondernemer een rechtspersoon is, bij de rechtspersoon dient ter financiering van bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden behoren indien de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van een natuurlijk persoon zou worden gedreven.

  •  

    • 4Als een deelneming als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet wordt aangemerkt de deelneming waarbij het in de rechtspersoon te storten kapitaal dient ter financiering van bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden behoren indien de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van een natuurlijk persoon zou worden gedreven.

  •  

    • 5Met betrekking tot het verzoek om aanwijzing als participatiemaatschappij, de afhandeling van dat verzoek, de informatieverstrekking , de intrekking, alsmede het publiek bekend maken van de aanwijzing en intrekking van de aanwijzing zijn de artikelen 29 tot en met 29b van overeenkomstige toepassing.

  • Artikel 33b Aanwijzing prijscourant

  • Als prijscourant als bedoeld in artikel 5.21 van de wet wordt aangewezen de Officiële Prijscourant uitgegeven door Euronext Amsterdam N.V.

  • Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden aftrek

  • Artikel 35 Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen; beperkingen

  •  

    • 1 Artikel 6.14, eerste lid, onderdeel a, van de wet geldt niet voor:

    •  

      • a.de belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen door de Sociale verzekeringsbank een ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen , ingeval noch hij, noch zijn echtgenoot het recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet geldend maakt;

    •  

      • b.de belastingplichtige die op grond van de regelen ter voorkoming van samenloop van kinderbijslag ingevolge de Kinderbijslagwet zijn recht op kinderbijslag voor dat kind niet geldend kan maken en geen huishouden vormt met degene die het recht op kinderbijslag voor dat kind wel geldend kan maken.

  •  

    • 2Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, geldt dat:

    •  

      • a.de in artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag bedoelde persoon wiens recht op kinderbijslag niet wordt uitbetaald, zijn recht op kinderbijslag niet geldend maakt, en

    •  

      • b.de in artikel 5a van het Samenloopbesluit kinderbijslag bedoelde persoon wiens recht op kinderbijslag aan hem geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald, zijn recht op kinderbijslag geheel geldend maakt.

  •  

    • 3 Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing indien de belastingplichtige recht heeft op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met de Algemene Kinderbijslagwet overeenkomende buitenlandse regeling.

  • Artikel 36 Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen; omvang in aanmerking te nemen uitgaven

  •  

    • 1De in artikel 6.15 van de wet bedoelde uitgaven voor levensonderhoud van een kind worden, indien de kosten van dat onderhoud in belangrijke mate op de belastingplichtige drukken, in aanmerking genomen tot een bedrag van:

    •  

      • a.€ 295 per kalenderkwartaal indien het kind jonger dan 6 jaar is;

    •  

      • b.€ 355 per kalenderkwartaal indien het kind 6 jaar of ouder doch jonger dan 12 jaar is;

    •  

      • c.€ 415 per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar is;

    •  

      • d.€ 355 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is.

  •  

    • 2Het in het eerste lid, onderdeel d, vermelde bedrag wordt verhoogd tot:

    •  

      • a.€ 710, indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 710 per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens grotendeels op de belastingplichtige drukken;

    •  

      • b.€ 1065, indien het kind niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 1065 per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens geheel of nagenoeg geheel op de belastingplichtige drukken.

  •  

    • 3Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner uitgaven voor levensonderhoud van kinderen in aanmerking nemen, worden de in aanmerking te nemen bedragen gesteld op de helft van de bedragen vermeld in het eerste en tweede lid, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal.

  •  

    • 4Voor de toepassing van de vorige leden is beslissend de toestand bij het begin van het kalenderkwartaal.

  • Artikel 37 Uitgaven voor specifieke zorgkosten; dieetkosten

  •  

    • 1De extra kosten van een op voorschrift van een arts of een diëtist gehouden dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel f, en zevende lid, van de wet , worden bepaald aan de hand van de navolgende tabel:

    • Voor het dieet bij het ziektebeeld en de aandoeningop welk dieet de in deze kolom genoemde typering van toepassing isbedragen de extra uitgaven
      Algemene symptomen groeiachterstand bij kinderen energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      energieverrijkt € 600
      ondervoeding energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      energieverrijkt € 600
      decubitus energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      Hartziekten decompensatio cordis, hartfalen natriumbeperkt € 100
      Infectieziekten aids energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      Luchtwegen chronische obstructieve longziekten (COPD) energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      energieverrijkt € 600
      Maag-, darm- en leverziekten dumping syndroom lactosebeperkt/lactosevrij € 100
      chronische pancreatitis energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      cystic fibrosis energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      energieverrijkt € 600
      coeliakie en ziekte van Dühring glutenvrij € 1300
      glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt/lactosevrij € 1400
      overige energieverrijkt met vitaminepreparaat € 650
      energieverrijkt € 600
      energieverrijkt in combinatie met MCT-vetverrijkt (met en zonder vitaminepreparaat) € 1350
      energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt/lactosevrij € 1000
      Metabole ziekten hypercholesterolemie verzadigd vetbeperkt in combinatie met fyto/plantensterolenverrijkt € 100
      vetstofwisselingsstoornis vetbeperkt in combinatie met MCT-vetverrijkt € 850
      fructose-intolerantie fructosebeperkt € 50
      galactosemie galactosevrij € 50
      sacharase isomaltase deficiëntie sterk sacharosebeperkt in combinatie met (iso)maltosebeperkt € 3550
      eiwitstofwisselingsstoornis (zoals PKU en hyperlysinemie) sterk eiwitbeperkt € 2700
      Nierziekten nierziekten natriumbeperkt € 100
      chronische nierinsufficiëntie met hemodialyse/peritoneale dialyse eiwitverrijkt in combinatie met natriumbeperkt € 250
      nefrotisch syndroom natriumbeperkt € 100
      Oncologie oncologie energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      energieverrijkt € 600
      Overige voedselovergevoeligheid koemelkeiwitvrij € 100
      soja-eiwitvrij € 50
      kippenei-eiwitvrij € 50
      lactosebeperkt/lactosevrij € 100
      tarwevrij € 900
      tarwevrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij € 1000
      koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij € 150
      koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij € 300
      koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij en soja-eiwitvrij € 350
      koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij, soja-eiwitvrij en tarwevrij € 1150
      koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij € 1300
      koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij en tarwevrij € 1300
      brandwonden energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt € 850
      lymfe lekkage eiwitverrijkt in combinatie met sterk (LCT-)vetbeperkt en MCT-vetverrijkt € 1100
      Epilepsie sterk eiwitbeperkt en koolhydraatbeperkt in combinatie met vetverrijkt en MCT-vetverrijkt € 600

    • Voor overige diëten worden de extra kosten gesteld op nihil.

  •  

    • 2Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    •  

      • a. referentievoeding: een gezonde voeding conform een Nederlands voedingspatroon, gebaseerd op de Richtlijnen Goede Voeding en Richtlijnen Voedselkeuze;

    •  

      • b. energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt: een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding en een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de hoeveelheid energie;

    •  

      • c. energieverrijkt: een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding;

    •  

      • d. natriumbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 2000 milligram natrium per etmaal;

    •  

      • e. lactosebeperkt/lactosevrij: een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;

    •  

      • f. glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt/lactosevrij: glutenvrij en een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;

    •  

      • g. energieverrijkt in combinatie met MCT-vetverrijkt: een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;

    •  

      • h. energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt/lactosevrij: een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding, een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;

    •  

      • i. verzadigd vetbeperkt in combinatie met fyto/plantensterolenverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid verzadigd vet die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven hoeveelheid plantaardige stanolen of van plantaardige sterolen van ten minste 2 gram per etmaal;

    •  

      • j. vetbeperkt in combinatie met MCT-vetverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid vet die voorziet in niet meer dan 15% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;

    •  

      • k. fructosebeperkt: een voorgeschreven fructosebeperking tot 2 gram per etmaal;

    •  

      • l. sterk eiwitbeperkt: een voorgeschreven beperking tot 10 gram eiwit per etmaal;

    •  

      • m. eiwitverrijkt in combinatie met natriumbeperkt: een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven beperking tot 2000 milligram natrium per etmaal;

    •  

      • n. eiwitverrijkt in combinatie met sterk (LCT-)vetbeperkt en MCT-vetverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven hoeveelheid vet die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;

    •  

      • o. sterk eiwitbeperkt en koolhydraatbeperkt in combinatie met vetverrijkt en MCT-vetverrijkt: een voorgeschreven hoeveelheid eiwit die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven hoeveelheid koolhydraten die voorziet in niet meer dan 20% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven hoeveelheid vet van ten minste 70% van de hoeveelheid energie ten opzichte van de referentievoeding waarvan een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van 25% van de hoeveelheid energie.

  •  

    • 3Voor de toepassing van het eerste lid geldt voor:

    •  

      • a.eenzelfde dieettypering die meerdere keren in aanmerking zou komen éénmaal het bedrag behorende bij die dieettypering;

    •  

      • b.verschillende dieettyperingen die in aanmerking zouden komen bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening elk van de bij die dieettyperingen behorende bedragen;

    •  

      • c.deels overeenkomende dieettyperingen bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening, alleen het hoogste van de voor het van toepassing zijnde ziektebeeld en aandoening geldende bedragen.

  •  

    • 4Ingeval extra uitgaven voor een op voorschrift van een arts of diëtist gehouden dieet niet gedurende het gehele kalenderjaar worden gedaan, worden de met toepassing van het eerste lid bepaalde bedragen naar tijdsgelang herrekend.

  •  

    • 5Een voorschrift als bedoeld in artikel 6.17, achtste lid, van de wet bevat ten minste:

    •  

      • a.gegevens waaruit blijkt dat degene die het voorschrift afgeeft medicus of diëtist is;

    •  

      • b.naam, praktijkadres, telefoonnummer en handtekening van de medicus of diëtist die het voorschrift afgeeft;

    •  

      • c.naam, adres en burgerservicenummer van de persoon aan wie het dieet is voorgeschreven;

    •  

      • d.het ziektebeeld en de aandoening van de persoon, bedoeld in onderdeel c, en de dieettypering van het voorgeschreven dieet;

    •  

      • e.de dagtekening van het voorschrift, de ingangsdatum van het te volgen dieet en indien van toepassing de einddatum van het te volgen dieet.

  • Artikel 38 Uitgaven voor specifieke zorgkosten; extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven

  •  

    • 1Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen voor een bedrag van € 310 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 620 te boven gaan, voor een bedrag van € 775, indien:

    •  

      • a.de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort; en

    •  

      • b.de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.

  •  

    • 2 Ingeval aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet gedurende het gehele kalenderjaar is voldaan, wordt dat lid naar tijdsgelang toegepast.

  • Artikel 39 Uitgaven voor specifieke zorgkosten; paramedici met directe toegang

  •  

    • 1Als paramedicus als bedoeld in artikel 6.17, negende lid, onderdeel c, van de wet wordt aangewezen de persoon die bevoegd is tot het voeren van de titel:

    •  

      • a.fysiotherapeut;

    •  

      • b.diëtist;

    •  

      • c.ergotherapeut;

    •  

      • d.logopedist;

    •  

      • e.oefentherapeut;

    •  

      • f.orthoptist;

    •  

      • g.podotherapeut;

    •  

      • h.mondhygiënist; of

    •  

      • i.huidtherapeut.

  •  

    • 2Een verklaring als bedoeld in artikel 6.17, negende lid, onderdeel c, van de wet bevat ten minste:

    •  

      • a.gegevens waaruit blijkt dat degene die de verklaring afgeeft een paramedicus als bedoeld in het eerste lid is;

    •  

      • b.naam, praktijkadres, telefoonnummer en handtekening van de paramedicus die de verklaring afgeeft;

    •  

      • c.naam, adres en burgerservicenummer van de persoon die onder behandeling is van de paramedicus;

    •  

      • d.de aandoening van de persoon, bedoeld in onderdeel c, die aanleiding is voor de behandeling;

    •  

      • e.het aantal behandelingen dat voortvloeit uit ziekte of invaliditeit;

    •  

      • f.de dagtekening van de verklaring.

  • Artikel 40 Weekenduitgaven voor gehandicapten; het in aanmerking te nemen bedrag

  •  

    • 1De ingevolge artikel 6.26 van de wet bedoelde weekenduitgaven voor gehandicapten worden gesteld op:

    •  

      • a.€ 10 per dag van verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige, alsmede

    •  

      • b.€ 0,19 per kilometer voor het vervoer per auto van de gehandicapte door de belastingplichtige over de reisafstand tussen de plaats waar de gehandicapte doorgaans verblijft en de plaats waar de belastingplichtige doorgaans verblijft.

    • Dagen van verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige zijn de dagen waarop de gehandicapte bij de belastingplichtige verblijft, met inbegrip van de dagen waarop de gehandicapte wordt gehaald of gebracht.

  •  

    • 2Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner weekenduitgaven voor een gehandicapte in aanmerking nemen, wordt het voor die gehandicapte in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft van het volgens het eerste lid, onderdelen a en b, berekende bedrag, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal.

  • Artikel 40a Scholingsuitgaven; afgifte EVC-verklaringen

  • De verklaring, bedoeld in artikel 6.27, tweede lid, van de wet , wordt afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  • Hoofdstuk 7 Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen ()

  • Artikel 42 Belastbaar inkomen uit werk en woning

  • (GERESERVEERD)

  • Artikel 43 Belastbaar inkomen uit werk en woning

  • (GERESERVEERD)

  • Artikel 44 Belastbaar inkomen uit werk en woning

  • (GERESERVEERD)

  • Hoofdstuk 8 Heffingskorting

  • Artikel 44a Bijzondere verhoging heffingskorting voor niet inwoners; aanwijzing mogendheid

  • Voor de toepassing van artikel 8.9a van de wet worden, voorzover het niet gaat om lidstaten van de Europese Unie, als de in die bepalingen bedoelde mogendheden aangewezen alle mogendheden waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen, waarvan de bepalingen van toepassing zijn.

  • Artikel 44b Inkomensafhankelijke combinatiekorting voor co-ouders

  • Voor de toepassing van artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel b, van de wet , wordt een kind dat niet op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, beschouwd toch op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens gedurende de periode van het kalenderjaar dat het kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders behoort en het kind op hetzelfde woonadres als diens andere ouder staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. Voor de toepassing van de eerste volzin behoort een kind tegelijkertijd tot het huishouden van diens beide ouders indien hij doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft.

  • Artikel 44c Bedrag ouderschapsverlofkorting

  •  

    • 1De ouderschapsverlofkorting bedraagt per uur ouderschapsverlof 1/8 van 50% van het wettelijke minimumloon per werkdag, zoals bepaald bij of krachtens artikel 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag . Eerst nadat voor het totaal aantal uren ouderschapsverlof in het kalenderjaar aldus het bedrag aan korting is bepaald, wordt de regel toegepast dat de korting niet meer kan bedragen dan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon verminderd met het in het kalenderjaar genoten belastbare loon.

  •  

    • 2Voor de toepassing van de wet en het eerste lid wordt uitgegaan van het wettelijke minimumloon zoals dat per 1 januari van het kalenderjaar waarin de ouderschapsverlofkorting geldt, is vastgesteld.

  •  

    • 3Indien de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar eveneens gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg , kan voor de toepassing van artikel 8.14b, tweede lid, van de wet in plaats van het in het voorafgaande kalenderjaar genoten belastbare loon worden uitgegaan van het in het kalenderjaar voorafgaand aan het ouderschapsverlof genoten belastbare loon.

  • Artikel 44d Verklaring ouderschapsverlof

  •  

    • 1Voor de toepassing van de ouderschapsverlofkorting beschikt de werknemer over een door de werkgever ondertekende verklaring dat ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg is opgenomen.

  •  

    • 2Deze verklaring bevat ten minste:

    •  

      • a.naam, adres en woonplaats van de werkgever;

    •  

      • b.het loonheffingennummer van de werkgever;

    •  

      • c.naam en burgerservicenummer of, bij het ontbreken van dat nummer, sociaal-fiscaalnummer van de belastingplichtige;

    •  

      • d.de periode in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof;

    •  

      • e.het totaal aantal uren in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van zijn recht op ouderschapsverlof.

  • Hoofdstuk 9 Wijze van heffing ()

  • Artikel 45 Termijn voor het doen van niet-verplichte aangifte

  •  

    • 1De aangifte, bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel b, van de wet , wordt gedaan binnen vijf jaren na afloop van het kalenderjaar.

  •  

    • 2Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een uitnodiging tot het doen van aangifte is uitgereikt of toegezonden, hetzij de inspecteur is verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die termijn verlengd tot het einde van de door de inspecteur ingevolge artikel 9, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gestelde of verleende termijn.

  • Artikel 45a Voorheffingen; vaststelling hoogte van bedrag aan te verrekenen loonbelasting ingevolge compensatieregeling uit het Verdrag met België

  •  

    • 1Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wet bedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 1, van het in artikel 9.2 van de wet genoemde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen dat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien hij de in artikel 27, paragraaf 1, van dat verdrag bedoelde beloningen uit Nederland zou hebben verkregen, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet , van de gecombineerde heffingskorting waarop zijn partner recht zou hebben gehad, indien hij bedoelde beloningen daadwerkelijk uit Nederland zou hebben verkregen en Nederland daarover belasting en premie zou hebben geheven.

  •  

    • 2Indien de belastingplichtige een partner heeft ten aanzien van wie in het kalenderjaar de in artikel 8.8 van de wet bedoelde maximering van de gecombineerde heffingskorting toepassing vindt, wordt bij de berekening van hetgeen ingevolge artikel 27, paragraaf 2, van het in het eerste lid bedoelde verdrag wordt aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting, het bedrag aan Nederlandse inkomstenbelasting dat de belastingplichtige verschuldigd zou zijn geweest indien de in artikel 27, paragraaf 2, van dat verdrag bedoelde beloningen uitsluitend in Nederland zouden zijn belast, verminderd met de verhoging, bedoeld in artikel 8.9 van de wet , van de gecombineerde heffingskorting, waarop zijn partner recht zou hebben gehad indien uitsluitend in Nederland over de bedoelde beloningen belasting zou zijn geheven.

  •  

    • 3De in het eerste en het tweede lid bedoelde verminderingen zijn niet van toepassing voorzover de partner van de belastingplichtige:

    •  

      • a.uit hoofde van hoofdstuk 8 van de wet recht heeft op verhoging van de gecombineerde heffingskorting; of

    •  

      • b.recht zou hebben gehad op de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in hoofdstuk 8 van de wet indien beloningen die hij heeft genoten krachtens regelen als bedoeld in hoofdstuk VII van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet zouden zijn vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting of premie voor de volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen .

  • Artikel 45aa Bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen

  • De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:

  •  

    • a.vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft;

  •  

    • b.de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;

  •  

    • c.de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn uitgevaardigd nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;

  •  

    • d.de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment; of

  •  

    • e.sprake is van enig feit waardoor ten onrechte inkomstenbelasting is geheven en als gevolg van die heffing een andere belasting, al dan niet van dezelfde belastingplichtige, ter zake van datzelfde feit niet is geheven en ook niet meer kan worden geheven, met dien verstande dat in dat geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover het bedrag van de eerstgenoemde belasting het bedrag van de andere belasting te boven gaat.

  • Hoofdstuk 10 Overgangsrecht

  • Artikel 45b

  • Vóór 1 januari 2005 vastgestelde lijfrenten die niet in geldeenheden luiden:

  •  

    • 1.Op een lijfrente waarvan vóór 1 januari 2005 de hoogte van de termijnen in beleggingseenheden (units) met de verzekeraar is overeengekomen, blijft artikel 2a buiten toepassing en kan de lijfrente-overeenkomst worden tenuitvoergelegd zoals is overeengekomen.

  •  

    • 2.Indien ter zake van een lijfrente als bedoeld in het eerste lid op of na 1 januari 2005 met de verzekeraar een wijziging van methode van berekening van de termijnen in units of in euro’s wordt overeengekomen, is met ingang van de datum van die wijziging art. 2a wel van toepassing.

  •  

    • 3.Indien een lijfrente als bedoeld in het eerste lid op of na 1 januari 2005 wordt omgezet in een andere lijfrente, is artikel 2a van toepassing op de laatstgenoemde lijfrente.

  • Artikel 45c Continuering na 1 januari 2008 van aanwijzingen als fonds of participatiemaatschappij van vóór die datum

  •  

    • 1Een fonds dat voor 1 januari 2008 is aangewezen als fonds als bedoeld in artikel 5.14 , onderscheidenlijk artikel 5.15 of artikel 5.18a van de wet , zoals de wet toen luidde, wordt geacht met ingang van 1 januari 2008 door de inspecteur bij beschikking te zijn aangewezen op de voet van de wet zoals die thans luidt.

  •  

    • 2Een participatiemaatschappij die voor 1 januari 2008 is aangewezen als participatiemaatschappij als bedoeld in artikel 5.18 van de wet , zoals de wet toen luidde, wordt geacht met ingang van 1 januari 2008 door de inspecteur bij beschikking te zijn aangewezen op de voet van de wet zoals die thans luidt.

  • Artikel 45d Overgangsrecht eigenwoningregeling en leegstaande woning

  • Met betrekking tot gevallen waarin het genereren van inkomen uit sparen en beleggen uit de woning bedoeld in artikel 3.111, tweede lid, tweede volzin, van de wet reeds is aangevangen vóór 1 januari 2010, blijft artikel 3.111, tweede lid, van de wet, zoals dit luidde op 31 december 2009, van toepassing, tenzij de belastingplichtige ermee instemt dat:

  •  

    • a.het gaan genereren van inkomsten uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 3.111, tweede lid, tweede volzin, van de wet niet wordt aangemerkt als een vervreemding als bedoeld in artikel 3.119a van de wet ;

  •  

    • b.indien op grond van artikel 3.119b, eerste lid, van de wet een beschikking eigenwoningreserve is of wordt afgegeven, die beschikking wordt herzien;

  •  

    • c.indien de woning vanaf enig moment weer belastbare inkomsten uit eigen woning genereert, dit niet wordt aangemerkt als een verwerving als bedoeld in artikel 3.119a van de wet .

  • Artikel 45e Overgangsrecht verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers; verliezen op beleggingen in durfkapitaal

  • Artikel 34 , zoals dat artikel op 31 december 2010 luidde, blijft van toepassing op verliezen op vóór 1 januari 2011 verstrekte geldleningen als bedoeld in artikel 6.8, eerste lid , van de wet, zoals dat lid op 31 december 2010 luidde.

  • Hoofdstuk 11 Overgangs- en slotbepalingen ()

  • Artikel 46 Guldensbedragen

  •  

    • Wijzigt deze regeling.

  • Artikel 47 Inwerkingtreding

  • Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

  • Artikel 48 Citeertitel

  • Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

Slotformulering en ondertekening

  • Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst

     

    De staatssecretaris van Financiën,
    W. Bos.

Laatst aangepast op vrijdag, 21 september 2012 12:15
Redactie Belasting Collectief Nederland

De leden van Belasting Collectief Nederland specialiseren zich voornamelijk in belastingadvies aan bedrijven. Dankzij onze bijzondere werkwijze kunnen zij zeer hoogwaardige dienstverlening aanbieden tegen zeer concurrerende tarieven. Dit betekent voor u aanzienlijke kostenbesparingen.

Log in om reacties te plaatsen

Tweets

Login