Belasting Collectief Nederland

Dutch Chinese (Simplified) English French German Spanish
dinsdag, 31 juli 2012 13:11

BOF ondanks afwezigheid van ondernemingsvermogen

Geschreven door 
Erflater Y was ongehuwd en overleed op 8 januari 2007. Y had tot 2004 een landbouwonderneming gedreven. Na de staking van zijn onderneming had Y de gronden verpacht aan X. Bij testament was X benoemd als enig erfgenaam. De verkrijging door X bestond uit het voormalige ondernemingsvermogen van Y. De verkrijging op sterfdatum had een waarde van € 530.725. X ging in beroep en stelde dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel recht had op vrijstelling van successierecht voor 75% van zijn verkrijging door toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten van artikel 35b en 35c SW (tekst 2007), ondanks het feit dat zijn verkrijging op dat moment geen ondernemingsvermogen vormde in de zin van artikel 35b SW. Volgens X was het in strijd met het gelijkheidsbeginsel als de faciliteit alleen van toepassing was bij de verkrijging van ondernemingsvermogen en niet op wat hij had verkregen. Volgens X moest elke verkrijging krachtens erfrecht hetzelfde worden behandeld, ongeacht of sprake was van ondernemings- of privévermogen. Rechtbank Breda besliste dat in dit geval sprake was van ongeoorloofde discriminatie omdat de verkrijgingen krachtens erfrecht van ondernemingsvermogen en van andere vermogensvormen voor de heffing van successierecht in beginsel waren aan te merken als gelijke gevallen.

In beide gevallen was immers sprake van een verkrijging krachtens erfrecht op grond van artikel 1 SW. Door de invoering van de faciliteit was volgens de Rechtbank inbreuk gemaakt op dit uitgangspunt en was de wetgever een onderscheid gaan maken tussen de verkrijging van ondernemingsvermogen en de verkrijging van privévermogen. De Rechtbank besliste dat de begunstiging van ondernemingsvermogen veel verder ging dan ook maar enigszins redelijk was toen de faciliteit in 2005 was verruimd. De door X verschuldigde belasting was € 303.609 en zou met toepassing van de faciliteit € 63.998 bedragen. De Rechtbank besliste dat toepassing van de faciliteit niet los kon worden gezien van de daaraan verbonden oplegging van een conserverende aanslag die alleen werd ingevorderd als de onderneming niet ten minste vijf jaar werd voortgezet. Met toepassing van de faciliteit zou 75% van de waarde van het verkregen vermogen worden aangemerkt als te conserveren waarde waarvoor een conserverende aanslag zou moeten opgelegd. De Rechtbank besliste dat voor het verschil tussen € 303.609 en € 63.998, zijnde € 239.611 een conserverende aanslag aan X moest worden opgelegd en verklaarde het beroep van X gegrond.

Fiscaal up to Date

Fiscaal up to Date brengt u elke week toegankelijker, sneller en kritischer dan wie ook op de hoogte van ál het fiscale nieuws en wat daarmee direct en indirect verband houdt. De belangrijkste, de interessantste en meeste bijzondere zaken worden voorzien van voor de praktijk noodzakelijke commentaren.

Van alle rechterlijke uitspraken wordt nog geen 5% voor publicatie vrijgegeven, terwijl steeds weer blijkt dat ook de overige 95% voor de adviespraktijk van groot belang is of kan zijn.

Log in om reacties te plaatsen

Tweets

Login