Belasting Collectief Nederland
Hoe krijg ik mijn in Duitsland betaalde BTW terug?
Heffingsrente herzien volgens herzieningregels van aanslag
Aan BV X werd op 26 februari 2003 een naheffingsaanslag LB opgelegd van € 967.325. Op het aanslagbiljet was een beschikking vermeld waarbij € 68 aan heffingsrente in rekening was gebracht. In een brief van 25 april 2003 deelde de inspecteur aan BV X mee dat de heffingsrente door een onjuiste administratieve verwerking tot een te laag bedrag was berekend, en dat ter correctie van deze fout een naheffingsaanslag zou worden opgelegd. BV X ging in beroep en stelde dat de inspecteur een vastgestelde beschikking heffingsrente niet bij nadere beschikking kon verhogen. Hof Amsterdam besliste dat de nadere beschikking moest worden vernietigd, omdat voor het herzien van de beschikking een expliciet wettelijke grondslag ontbrak.
Belastingplan 2012: De zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting
Zorginstellingen in Nederland worden meestal in de vorm van een stichting gedreven. In de meeste gevallen komen zorginstellingen in aanmerking voor de zorgvrijstelling en in de Vpb. Onder voorwaarden zijn namelijk vrijgesteld die instellingen die zorg verlenen en die instellingen die het bijbehorende onderkomen verzorgen. Bij deze laatste categorie kunt u denken aan instellingen die het woon- of zorgvastgoed van zorginstellingen beheren.
Woningcorporatie is anbi
Op 13 januari 2012 heeft de Hoge Raad beslist dat woningcorporaties zogenaamde ‘algemeen nut beogende instellingen' kunnen zijn. De uitspraak kan verstrekkende gevolgen hebben voor vrijwel alle woningcorporaties.
Sinds de invoering van de integrale vennootschapsbelasting (Vpb) voor woningcorporaties zijn woningcorporaties Vpb verschuldigd over het resultaat dat zij behalen met hun gehele bezit. De meest recente uitspraak van de Hoge Raad maakt het zeer aannemelijk dat woningcorporaties de faciliteiten voor maatschappelijke instellingen in de Vpb kunnen inroepen.
Woningcorporatie volgens Hoge Raad algemeen nut beogend
Woningbouwcorporatie stichting A was een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70, lid 1, Woningwet. Volgens haar statuten was haar doel het bieden van volkshuisvesting. In 2004 hield zij zich (nagenoeg) geheel bezig met de verhuur van woningen in de "sociale sector". Haar voordien zelf-geëxploiteerde commerciële activiteiten had A ingebracht in BV X. Op 29 december 2004 sloten A en BV X een overeenkomst op grond waarvan de winst van BV X, als "fondswerver", binnen zes maanden na afloop van het boekjaar werd uitgekeerd aan A. In juni 2005 maakte BV X het bedrag van € 1.581.117 over. In haar aangifte Vpb 2004 trok BV X dit bedrag af op grond van artikel 9, lid 1, i, Wet Vpb. Hof Leeuwarden besliste dat de inspecteur de zogenoemde fondsenwerversaftrek terecht had geweigerd, omdat A niet kon worden aangemerkt als een ANBI. BV X ging in cassatie.
Aanslag successierecht kon niet aan echtgenoten tezamen worden opgelegd
Mevrouw A overleed in oktober 2009. X en zijn echtgenote Y waren tot haar erfgenaam benoemd. In september 2010 werd een aanslag successierecht van € 174.462 opgelegd ten name "X en echtgenote". In een toelichting bij het aanslagbiljet vermeldde de inspecteur dat de verkrijgingen door ieder der echtgenoten op grond van artikel 25 SW voor de berekening van het successierecht bij elkaar waren geteld. Voor het schenkingsrecht gold een soortelijke bepaling, maar de Hoge Raad had op 19 februari 2010 beslist dat voor het schenkingsrecht ieder van hen afzonderlijk als verkrijger moest worden aangemerkt en dat het niet was toegestaan de verkrijgingen voor deze personen te betrekken in één aanslag die aan hen gezamenlijk werd opgelegd.
Meer artikelen...
Pagina 1 van 16


